Valse grenzen op papier

Guntram Henrik Herb: Under the Map of Germany. Nationalism & Propaganda 1918-1945. Routledge, 250 blz. ƒ 151,50 (geb.)

Wat is er onschuldiger dan een weerkaartje? Niets, zou je zeggen. Toch kan het politieke overtuigingen weergeven en uitdragen. Op de weerkaartjes in de conservatieve Israelische krant Ma'ariv zijn de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever integrale onderdelen van Israel. Het weerkaartje in de gematigd linkse Ha'arets rekent de Gazastrook niet meer tot Israel, en vermeldt sinds het vredesakkoord van 1994 ook de temperaturen in Amman en Cairo. Aldus een artikel dat onlangs in het tijdschrift Geografie-Educatief stond.

Dat objectieve kaarten niet bestaan is oud nieuws. Kaarten zijn bij uitstek geschikt om politieke boodschappen over te brengen. Van dat inzicht werd tussen beide wereldoorlogen in Duitsland gretig gebruik gemaakt, zoals de Amerikaanse geograaf Herb aantoont in Under the Map of Germany. De hoofdlijnen van het boek bieden de expert weinig nieuws. Het presenteert wel veel onbekende details die Herb uit de archieven opdook. Bovendien weet hij hoe je een boek moet schrijven: de opbouw is doordacht, de stijl helder.

Het gebruik van geografische kaarten als propagandawapen dateert uit de beginjaren van de Weimar Republiek. Duitsland had de Eerste Wereldoorlog verloren en moest toezien hoe de geallieerden ongeveer een achtste deel van het vooroorlogse Duitse territorium toewezen aan andere landen. De verbazing hierover sloeg snel om in woede: het Vredesverdrag van Versailles was 'het grootste bedrog in de wereldgeschiedenis'. Het leidende principe op de vredesconferentie was het recht op zelfbeschikking: elke natie had recht op een eigen nationale staat. Staatsgrenzen moesten de grenzen van de woongebieden van de naties zoveel mogelijk volgen. Maar dat principe gold niet voor de verliezers. In Duitse ogen werd met twee maten gemeten. Vooral in Oost-Europa waren vanaf 10 januari 1920, toen het verdrag in werking trad, talrijke Duitsers de klos. Ze woonden voortaan buiten hun vaderland.

Herb laat zien dat de partijen bij de onderhandelingen gebruik maakten van kaarten waarop de verspreiding van de eigen natie binnen zo ruim mogelijk getrokken grenzen stond aangegeven. De Polen waren er bijvoorbeeld handig in. Zo gaf de Poolse geograaf Romer in 1918 de Atlas Polski, voorzien van een lovend woord aan het Amerikaanse volk, in de Verenigde Staten uit. Toeval of niet; de grenzen die de Poolse natie volgens deze atlas had, stemden vrijwel geheel overeen met de grenzen die een jaar later in het Verdrag van Versailles zouden worden vastgesteld.

Alleen de Duitse delegatie, die overigens niet werd toegelaten tot de onderhandelingstafel, bracht geen kaarten mee. Kaarten die lieten zien hoe ver 'zuiver Duitse gebieden' zich in Europa uitstrekten, waren er niet of kwamen in elk geval te laat beschikbaar om nog een rol te kunnen spelen. Bovendien leken de Duitsers de waarde van kaarten domweg niet te beseffen.

Pas in het begin van de jaren twintig kwamen Duitse geografen als Penck met 'objectieve' kaarten die het cartografisch gesjoemel van de andere partijen aan de kaak moesten stellen. Over hun bedoeling was geen misverstand mogelijk: herziening van het Verdrag van Versailles. De kaarten toonden welke grenscorrecties er nodig waren om Duitse natie- en staatsgrenzen weer te laten samenvallen.

Anders dan men zou verwachten, hield de regering zich overwegend afzijdig van dit cartografisch offensief. Het waren min of meer particuliere organisaties van nationalistische, völkische signatuur die het voortouw namen, zoals de Stiftung für deutsche Volks- und Kulturbodenforschung en de Verein für das Deutschtum im Ausland. Hun initiatieven werden ondersteund door wetenschappers. Zo eisten geografen in 1925 op hun tweejaarlijkse congres dat voortaan de oude plaatsnamen werden gebruikt om voormalig Duitse nederzettingen aan te duiden. Aan deze 'nationale plicht' konden steeds minder uitgevers zich onttrekken. Omstreeks 1930 waren kaarten met Duitse plaatsnamen regel geworden. Hun politieke boodschap was nog in 1989 aanleiding voor het Pools Nationaal Bureau voor Toerisme om in de brochure Welcome to Poland de invoer te verbieden van kaarten waarop Poolse plaatsen Duitse namen droegen - zoals ook drugs, pornografie, wapens en printers niet welkom waren.

Kaarten die de Volks- und Kulturboden in het buitenland weergaven, moesten de claims op teruggave van voormalig Duitse gebieden onderbouwen. Voor binnenlands gebruik werd een ander soort kaarten ontworpen, kaarten die de kwetsbaarheid van het land voor militaire aanvallen suggereerden. In het door vijanden omringde Duitsland was vrijwel geen plaats veilig voor luchtbombardementen en zwaar geschut. Voor het Zeitschrift für Geopolitik viel op het gebied van suggestieve cartografie niets meer te leren. Het drukte al midden jaren twintig kaartjes af die lieten zien hoe Tsjechoslowakije als een pijl diep in het Duitse lichaam doordrong, of hoe Duits Silezië in een Slavische tang gevangen zat. De kaartjes bereikten een ruim publiek: ze werden in kranten afgedrukt, op het bioscoopdoek geprojecteerd, als ansichten verspreid, in schoolboeken opgenomen.

Dat kaarten evenals bommenwerpers en onderzeeërs 'instruments of war' waren - zoals een Amerikaanse geograaf in 1942 schreef - begreep het nazi-regime beter dan wie ook. Toch was de aansluiting met de cartografische propaganda uit de Weimartijd beslist niet naadloos, aldus Herb. Zo hadden de nazi's hun bedenkingen bij kaartjes die de deutscher Kulturboden weergaven. Cultuur droeg de suggestie in zich dat andere etnische groepen via assimilatie 'culturele Duitsers' konden worden. Ten onrechte, want volkeren waren in nazi-ogen raciaal en niet cultureel bepaald. De ruimtelijke verspreiding van de Duitse cultuur was dus minder relevant dan die van het arische ras. Daar kwam bij dat de territoriale ambities van de nazi's een groter areaal dan het Duitse cultuurgebied besloegen, hoe onbekrompen dat ook gedefinieerd was. Ten slotte hadden generaals bij hun veldtochten meer behoefte aan betrouwbare en precieze topografische kaarten dan aan overmatig versimpelde en gemanipuleerde kaarten.

Net als in de Weimar Republiek bleef de vervaardiging van cartografische propaganda ten tijde van het Derde Rijk in handen van allerlei völkische organisaties. Hun afstand tot de nazi-partij en regering was echter zo klein, dat de overheid geen reden zag om de cartografische productie en de controle daarover in één staatsinstituut te centraliseren. Vele instanties hadden iets te zeggen, en wat ze zeiden was niet altijd eensluidend. Zo hoefde een uitgever wiens schoolatlas werd afgekeurd door het ministerie van Onderwijs, niet te wanhopen. De kans dat dezelfde atlas een warme aanbeveling kreeg van de NS-Lehrerbund of het Zentralinstitut für Erziehung und Unterricht bestond altijd.