Standaardwerk over vrouwenliteratuur; Dollen met de conventies van het lofdicht

Riet Schenkeveld-van der Dussen, Karel Porteman, Lia van Gemert, Piet Couttenier (red.): Met en zonder lauwerkrans. Schrijvende vrouwen uit de vroegmoderne tijd 1550-1850, van Anna Bijns tot Elise van Calcar. Amsterdam University Press, 970 blz. ƒ 99,50

De Nederlandse historische letterkunde herbergt talloze schatten. Bloemlezers worden dan ook altijd weer geprikkeld door de belofte van avontuur. Gerrit Komrij heeft in zijn drie befaamde bloemlezingen veel van die schatten opgediept en opgepoetst en tegenwoordig weet elke leraar Nederlands de weg te vinden naar de parels en juwelen die de zappende middelbare scholier ook nog even bij de historische les weten te houden. De aandacht gaat daarbij vaak uit naar genietbaarheid voor een modern publiek. Een mediëvist als Herman Pleij geeft ook ruiterlijk toe dat zijn belangstelling voor scabreuze en humoristische teksten, voor middeleeuwse feestcultuur en fantasieën van luilekkerland alles te maken hebben met moderne fascinaties.

Daartegenover hoor je ook regelmatig het tegengeluid: dat historisch letterkundigen niet alleen moeten zoeken naar wat vanuit een modern perspectief nog direct genietbaar is. De uitdaging is ook het 'vreemde' van de achter ons liggende eeuwen te zien, hoe ver dat ook buiten ons eigen perspectief is komen te liggen.

Deze twee programma's lijken onverenigbaar. Toch worden ze wonderwel verenigd in het nieuwe schitterende encyclopedische werk Met en zonder lauwerkrans. Schrijvende vrouwen uit de vroegmoderne tijd 1550-1850, van Anna Bijns tot Elise van Calcar. Dat boek, onder redactie van de Utrechtse renaissancist Schenkeveld-van der Dussen, is een feest. Het heeft het formaat van de Statenbijbel en is rijk en met veel onbekend plaatwerk geïllustreerd. Wat een verrukkingen biedt deze dikke dame! Zij confronteert je om te beginnen met haar kolossale snoeptafel, een forse inleiding waarin een aantal cruciale kwesties rond de door sekse bestuurde deelname van vrouwen en mannen aan het literaire veld worden behandeld.

Het gekozen perspectief is literair-sociologisch. Hoe stond het met de publicatiemogelijkheden van vrouwen, met de receptie van hun werk, met deelname aan literaire instituties, met de afweging tussen literair werk en huishoudelijke taken, met de verhouding tot mannelijke stimulatoren en hinderpalen, met hun geldelijke verdiensten? Kennis, aanleg, studie en geleerdheid, hun deelname aan verschillende genres, de sekse-bepaaldheid van die genres, hun plaats in een steeds verschuivende canon - het wordt allemaal beschreven met een verfrissende helderheid en indrukwekkende kennis van zaken. Op die inleiding volgt het eigenlijke werk: honderdvijftig portretten, van schrijfsters geboren tussen 1550 en 1850, die steeds bestaan uit een biografie en een treffende keuze uit hun werk van maximaal vier stukken. De oudste van het gezelschap is Anna Bijns, een der jongsten Elize van Calcar-Schiotling. Dit betekent dat de middeleeuwse vrouwen en de moderne vrouwen niet meedoen, een strategisch goede keuze: het werk van middeleeuwse vrouwen te achterhalen is gezien de afwezigheid van gedrukte bronnen een nog veel moeilijker karwei en vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw komen er zoveel schrijfsters dat er geen houden meer aan is.

Het doel van dit standaardwerk is niet de feministische parels uit de vaak onbekend gebleven bronnen te vissen, maar een representatief beeld te geven van wat vrouwen in de drie eeuwen tussen 1550 en 1850 schreven: daar zijn vele geestige, roerende en revolutionaire teksten bij, maar ook veel religieuze en brave teksten. Toch slagen alle aan dit grote project meewerkende auteurs erin ook teksten uit die laatste categorie weer interessant te maken, door ze te presenteren als karakteristiek voor hun tijd en ze in verband met het werk van andere auteurs te brengen.

In 1823 schreef de uitgeefster Maria Catharine Doll Egges: 'Veel kundige mannen hebben geschreven over den invloed der vrouwen [...]. Wij zelve zijn te partijdig om te beslissen, wie van hun het rechte spoor het meest nabij kwam; het enige dat mijns bedunkens bepaald zeker zij, is dat de heerschappij der vrouw niet voegt, ja zelve haar niet wel staat, maar dat de invloed van haar op den man, haar bestemming is, en dat deze invloed den man tot de edelste daden kan opwekken; dat de vrouw het schoonste uitblinkt in de schaduw van den man, waarop zij nauwe betrekking heeft, en dat het haar niet voegt in het openbaar te schitteren' etcetera. Deze opvattingen over sekse echoën die van het Engelse Victoriaanse tijdperk en staan in polemisch verband met de oudere 'vrouwenloven': een wijdverbreide en populaire teksttraditie, beoefend door Bocaccio, Christine de Pisan, Johanna Hoobius, Maria van Ackerlaacken en Johan van Heemskerck, waarin de voortreffelijkheden van beroemde vrouwen werden geroemd.

De ontwikkeling van deze traditie van 'vrouwenloven' valt in Met en zonder lauwerkrans op de voet te volgen. De geciteerde tekst van Doll Egges behoort echter tot een nieuw type teksten, waarin de eerder geprezen vrouwen - Eva, Lucretia, Anna Maria van Schurman, Elizabeth I van Engeland, Catharina de Grote van Rusland en andere vrouwelijke beroemdheden - opnieuw mogen opdraven als demonstratiemateriaal, maar dan nu voor de ellende waartoe vrouwelijke heerszucht leidt.

Vrouwe Bilderdijk, de literair zeer productieve echtgenote van Willem Bilderdijk, past ook in deze aartsconservatieve traditie die ook al zo fraai zichtbaar is gemaakt door Schenkeveld en de haren. Bilderdijk houdt streng, 'bijna dreigend', de hand aan het benadrukken van de mannelijke almacht. In het voorwoord van een bundel van hem en zijn vrouw schrijft hij: 'wat mijn eegade tot dezen bundel heeft bijgedragen blijkt uit de tekening der stukken zelve. Men zal daar het zachte, aandoenlijke hart in herkennen, de vrouw kentekenende, alleen gevormd om het geluk van haren gemaal te zijn, en die op niets anders aanspraak maakt.' Katharina stemde uit volle borst in, zoals ampel uit haar werk blijkt.

De toon van Met en zonder lauwerkrans is altijd nuchter en evenwichtig. Steeds wordt met bewonderenswaardig geduld vermeden de feministische verontwaardiging in te schieten, hoeveel reden daar soms ook voor mag zijn. In sommige dichtgenootschappen moesten de weinige vrouwelijke leden dubbel contributie betalen, maar in andere mochten ze gratis meedoen. De hulp die mannelijke collega's of vrienden boden bij het redigeren of uitgeven van vrouwenwerk kwam regelmatig neer op verminking. Wat de bewerkers en uitgevers aan het werk veranderden, laten Schenkeveld c.s. soms zien door zowel de oorspronkelijke als de uiteindelijk versie af te drukken: dat is het geval bij 'Klagten voor de zwaare krankheid van mijn Echtgenoot' en het grappige vers 'Bruin boven blond', beide van Elisabeth Koolaert-Hoofman en beide bewerkt door Willem Kops.

Kops verpestte 'Bruin boven blond' grondig: van een vroeg-achttiende-eeuwse aria in Italiaanse trant maakt hij een veel saaier dichtgenootschappelijk vers. Maar daar staat weer tegenover dat publicatie vaak aan echtgenoten en mannelijke vrienden te danken was, en dat mannelijke hulp vaak 'goedbedoeld en zeer welkom' was.

Ook in de artikelen over de 150 schrijfsters stappen de auteurs nooit in de val de zaken mooier voor te stellen dan ze zijn. Zo was de schrijfster en uitgeefster Katharina Lescailje een groot bewonderaarster van Vondel, wiens 'Kinder-Lyck' ('Constantijntje, 't zalig kijntje') zij meermalen als inspiratiebron gebruikte: 'Blonde Leentje, zoete bekje,/ Die in 's aanschijns ommetrekje,/ In het tedere gelaat/ Schoner als de dageraad' etcetera. Hoeveel bekendheid Katharina ook wist te verwerven, zij had een niet met Vondel vergelijkbaar talent, zo stelt de auteur van dit artikel vast. 'Herhaaldelijk wordt de lezer geconfronteerd met grammaticale kronkels in gewrongen frasen, terwijl de beeldspraak evenmin bijster origineel is: vaak gaat de zon op, bloeien leliën en rozen op vrouwenkaken, trekken alle vier de seizoenen in enkele regels voorbij en overwint de kunst de natuur.'

Is Katharina dus vanuit een oogpunt van esthetische brille niet de top of the bill (maar wie leest om die reden eigenlijk nog Vondel?) cultuurhistorisch gezien is zij een interessante figuur. Haar oeuvre bevat bijvoorbeeld een aantal liefdesgedichten in petrarkistische trant, waarin een wanhopig verliefde 'ik' smartelijk lijdt onder afwijzing door de geliefde, maar tegelijk geniet van deze vreugdevolle liefdespijn. Katharina schrijft veel van dergelijke gedichten. Zij legt de liefdesklacht in de mond van mythologische personages of schrijft haar teksten voor echte vrouwen. In opdracht van mannen, zegt zij, maar de auteur van het betreffende artikel waagt dat te betwijfelen.

Lescailje wisselde veel gedichten met de Amsterdamse dichteres Cornelia van der Veer, die zich op een gegeven moment, ook in dichtvorm, jaloers beklaagt dat zij haar beminde Katharina te weinig ziet, en bovendien op een avond zag verdwijnen in het huis van een rivale: Sara de Cajoncle.

En hoe aardig is het dat Lauwerkrans steeds verwijst naar andere dichteressen en dichters die ook in een bepaald literair of vriendschapsnetwerk participeerden. Want via deze Cornelia van der Veer worden we geleid naar een andere Amsterdamse Catharina: Catharina Questiers. Deze Questiers leidde niet alleen een profijtelijk loodgietersbedrijf, maar was ook een befaamd literair auteur. Zij sloot vriendschap met de eerder genoemde Cornelia van der Veer, en samen schreven zij de Lauwerstryt tusschen Catharina Questiers en Cornelia van der Veer (1665). Volgens alle regelen der lofdichtkunst trachten de dichteressen elkaar om strijd de poëtische lauwerkrans uit te reiken. Vaak moeten ze daarbij dezelfde rijmwoorden gebruiken, als in dichtreeksen gebruikelijk. De strijd blijft onbeslist, maar de gedichten zijn een feest. Je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat de dames naar hartelust flirtten en vooral op humoristische wijze dolden met de conventies van het lofdicht. Questiers trad evengoed in het huwelijk: kennelijk sloot het ene minnespel het andere nog niet uit. De auteurs van Met en zonder lauwerkrans weten aan dit soort fenomenen steeds interessante vraagstellingen te verbinden. Bijvoorbeeld de vraag naar de mogelijkheden van de liefdestaal voor vrouwelijke auteurs. Het petrarkisme met zijn smachtende mannelijke minnaar was door en door gestructureerd door vaste sekse-posities: de sprekende man, de zwijgende vrouw en een traditionele voorraad metaforen en beschrijvingen van het vrouwenlichaam die niet konden worden 'omgedraaid' om de vrouwelijke auteur te dienen. Hoe konden vrouwen dan over hun actieve heteroseksuele liefdesgevoelens schrijven waar er geen hen passend model beschikbaar was? Deze vraag laat zich oplossen op een van de vele verrukkelijke speurtochten die dit boek mogelijk maakt.

Paradoxaal genoeg boeit deze bloemlezing juist wegens de historische afstand die vaak wordt opgeroepen. Inderdaad, vrouwen schreven ongelooflijk veel religieuze teksten, maar daarbij intrigeert de treffende verscheidenheid aan typen religiositeit en de zeer verschillende manieren waarop vrouwen daarin konden functioneren. Zo werd de blinde doopsgezinde dichteres Soetken Gerijts (16de eeuw) voorin haar bundel invloedrijke leerdichten nadrukkelijk getypeerd als een 'zwak vat': een vrouw, blind en autodidact. 'Zelfs zo iemand kon God nog wel gebruiken. Met zo'n verklaring is iets van de dreiging die van een onderrichtende vrouw uitgaat geneutraliseerd.'

Dat soort interpretaties intrigeert. De talloze gelegenheidsgenres: lofdichten, bruiloftsdichten, gedichten die een geschenk begeleidden, opdrachten, verzen ter ere van een geboorte, verjaardagsdichten vestigen de aandacht op een nu totaal verdwenen functie van literatuur: de functie van het creëren en onderhouden van sociale netwerken. Heel curieus is de zogenaamde 'Knipzang': een vers waarin het woord 'knippen' diende te worden gebezigd. Een groep Amsterdamse dichtvrienden (onder wie Vondel, Questiers en Goudina van Weert) schreven allemaal zo'n 'knipvers', met steeds hetzelfde verplichte rijmschema. En zo horen we meer over de literaire spelletjes die in de Amsterdamse grachtengordel werden gespeeld, want zoveel is zeker: die grachtengordel bestond al.

Het is moeilijk kiezen uit zoveel moois. Enig is het hoofdstuk over de in haar eigen tijd geweldig populaire - ook al blinde - Petronella Moens ('Pietje Potentaat') die in de decennia rond 1800 een ongekende productiviteit aan de dag legde. Interessant is het hoofdstuk over de Vlaamse Maria Petyt (1623-1677), een levenslustige koopmansdochter die als kind al af en toe werd getroffen door heftige vroomheid - of zoals de auteur van dit artikel Karel Porteman, kennelijk aangestoken door Maria, zegt 'bij het horen van het klokgelui wenend haar eerste onuitwisbare ervaring van religieuze begenadiging kreeg'. Maria Petyt had maar een half woord nodig van haar geestelijke leidsman om haar ervaringen op schrift te stellen. Daaraan danken we een levendige autobiografie die een indringend beeld geeft van Maria's vrolijke jeugd, maar ook van haar latere depressies, walging tegen de wereld, zelfs Godshaat en zelfmoordneigingen.

De titel van het hoofdstuk 'Schrijven en geschreven worden' slaat op Maria's gewaarwording dat haar teksten haar worden gedicteerd. Zij hoort een inwendige stem die zegt: 'gaat voort met alle simpelheid ende eenvoudigheid, laat mij daarvoor zorgen'. Het merkwaardige is dat je bij het lezen van haar teksten het gevoel krijgt dat ze tegen je praat: zo naturel en open is haar schriftuur, en met zoveel aandacht wordt Petyt - net als alle andere auteurs in dit boek - gepresenteerd.

De teksten zijn voldoende gemoderniseerd en voorzien van (spaarzame) woordverklaringen om ze gemakkelijk te kunnen lezen, terwijl toch de linguïstische 'couleur locale' niet verloren is gegaan. Schenkeveld en de haren hebben een ideale vorm gevonden om een publieksboek én een wetenschappelijk naslagwerk te combineren. Met en zonder lauwerkrans werpt niet alleen een verrassend licht op de Nederlandstalige vrouwenteksten van 1550 tot 1850. Het boek stelt ook tal van nieuwe vragen die ook aan de mannenliteratuur gesteld zouden moeten worden. Zo bekeken haalt Met en zonder lauwerkrans de vrouwenliteratuur paradoxaal genoeg uit haar aparte hoekje van loffelijke uitzondering, om nieuwe vragen te formuleren over de 'gegenderde' basis van literaire communicatie in het algemeen. Maar dat is al vaker vertoond: juist vanuit de marge kan een nieuwe blik op het centrum worden geworpen.