Op hoop van zegen

Marijke Gijswijt-Hofstra & Florike Egmond (red.): Of bidden helpt? Tegenslag en cultuur in Europa, circa 1500-2000. Amsterdam University Press, 206 blz. ƒ 35,-

De Nederlanders zijn het meest verzekerde volk ter wereld. Waarom? Waarschijnlijk omdat het land de laatste 500 jaar zoveel rampen en tegenslagen had te verduren en er een constante bezorgdheid voor bijna-rampen, zoals dijkdoorbraken, overstromingen en in het recente verleden de angst voor een kernoorlog, bestond. Deze bezorgdheid en angst hebben ontegenzeggelijk invloed gehad op de Nederlandse cultuur in de breedste zin van het woord. In de bundel Of bidden helpt? hebben tien wetenschappelijke onderzoekers uit verschillende disciplines - onder wie (kerk)historici, antropologen en literatuurwetenschappers - het verschijnsel 'tegenslag' onderzocht. Het aardige van deze bundel is dat de auteurs niet de reacties op één soort ramp bekeken, maar dat ze een breed scala van tegenslagen behandelen aan de hand van uiteenlopende bronnen, zoals kerkelijke-, gerechtelijke- en overheidsarchieven, literatuur, pamfletten en egodocumenten. De definitie van 'ramp' en 'tegenslag' waaiert overigens in de bijdragen nogal uiteen, maar dat is gezien de lange periode (1500-2000) en het uitgebreide gebied (Europa) waar de onderzoekers naar hebben gekeken niet zo vreemd.

Er is onderscheid gemaakt in tegenslagen van persoonlijke en van collectieve aard. Persoonlijke tegenslagen zijn rouw en het verschijnsel melancholie in negentiende- en twintigste-eeuwse literatuur. Een collectieve ervaring van tegenslag is bijvoorbeeld voortgekomen uit de voorlichting rondom de mogelijkheid van een kernoorlog in de jaren vijftig en zestig van deze eeuw. Het meest in het oog springend zijn de bijdragen over tegenslagen in Nederland van de vroegmoderne tijd.

In het voorkomen en verwerken van rampen speelde het verschijnsel religie in de Nederlandse Republiek van de zeventiende en achttiende eeuw een belangrijke rol. In het artikel van Leo Noordegraaf, waaraan deze bundel zijn naam ontleent, staat de rol van het geloof dan ook centraal. Vaak zochten kerkelijke en wereldlijke leiders de oorzaak van rampen bij God. Het opperwezen, zo redeneerde men, bestrafte de overtredingen, maar liet het daar niet bij. De functie van het straffen was dat de zondige mens zich tot God de schepper zou wenden. Soms schreef de overheid na een ramp vast- en biddagen uit. Dit algemene bidden had vaak als effect dat de cohesie in de samenleving werd versterkt.

Eco Haitsma Mulier belicht de rol van religie in de geschiedschrijving van de zeventiende en achttiende eeuw. Zeventiende-eeuwse historici beschouwden tegenslagen als een ingreep van God. In hun weergave van rampen haalde men allerlei indertijd onverklaarbare natuurverschijnselen als kometen of overmatige ijsvorming als voortekenen aan. In de late achttiende eeuw speelde religie nog steeds een doorslaggevende rol, maar het op onverklaarbare verschijnselen gebaseerde beeld veranderde langzaam maar zeker tot een op de rede stoelende verklaring.

Tegenslagen uit het verleden die de laat twintigste-eeuwse lezer het meest beroeren zijn vaak van individuele aard. Met behulp van dagboeken en brieven onderzocht Thera Wijsenbeek-Olthuis ziekten en tegenslagen in zeventiende-eeuwse gezinnen en families. Het unieke van haar benadering is dat ze het ziektebeeld niet vanuit het perspectief van de geneeskunde onderzocht, maar vanuit de beleving van de patiënt. Heden ten dage is ziekzijn zeker geen pretje, maar in de zeventiende eeuw was het een regelrechte ramp. Het feit dat meer dan de helft van de kinderen in de zeventiende eeuw niet de volwassen leeftijd bereikte, veroorzaakte bij de ouders onmenselijk veel verdriet. Door de beperkte mogelijkheden van de medische wetenschap waren troosten en bewaken het enige wat zij voor het zieke kroost konden doen. En natuurlijk bidden.