Oostenrijks bezit van Schiele lijkt toch rechtmatig

WENEN, 16 JAN. De Zwitserse kunsthandel Kornfeld heeft gisteren de identiteit onthuld van de vrouw die in 1956 het doek Tote Stadt van de Oostenrijkse schilder Egon Schiele heeft verkocht. De New-Yorkse douane nam het schilderij, dat eigendom is van de Oostenrijkse staat, vorige week in beslag omdat de herkomst omstreden was.

Het schilderij wordt geclaimd door een Amerikaanse nazaat van de oorspronkelijke eigenaar, de Oostenrijkse cabaretier Fritz Grünbaum, die in 1941 in Dachau werd vermoord. De Amerikaanse zei dat het schilderij tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi's werd gestolen en dat het na de oorlog niet werd teruggeven aan de familie Grünbaum. Dat blijkt nu wel te zijn gebeurd.

De Zwitserse kunsthandel Kornfeld heeft bekend gemaakt, dat hij het kostbare schilderij in 1956 heeft gekocht van Mathilde Lukacs, een schoonzus van cabaretier Grünbaum. Zij moet de rechtmatige erfgenaam zijn geweest, omdat na de dood van Grünbaum diens vrouw Elisabeth erfde. Elisabeth Grünbaum gold na een oproep van de Gestapo in 1942 als 'verdwenen' en de erfenis zou toen - als ze niet was gestolen - aan haar zuster Mathilde Lukacs zijn toegekomen.

Het is nog onduidelijk waarom Kornfeld met deze onthullingen heeft gewacht, maar als de feiten kloppen is daarmee de claim van Rita Reif, de Amerikaanse op wier verzoek de New-Yorkse douane vorige week in actie kwam, van de baan. Dat is vooral belangrijk omdat vandaag in New York tijdens een hoorzitting wordt beslist wat er gebeurt met Toto Stadt en Wally, een ander schilderij van Schiele dat tegelijkertijd in beslag werd genomen. Wally wordt ook geclaimd door een Amerikaanse nazaat van een Oostenrijkse jood. Beide doeken, die in New York waren voor een expositie in het Museum of Modern Art, maken deel uit van de zogeheten Leopold-collectie. Oostenrijk kocht deze in 1995 van de Weense oogarts en kunstverzamelaar Rudolf Leopold. Leopold had Tote Stadt in 1960 in zijn bezit gekregen.

Oostenrijk reageerde vorige week verontwaardigd op de inbeslagname van de twee schilderijen door de New-Yorkse douane. Naar aanleiding van de commotie over de twee Schiele's, kondigde de Oostenrijkse regering deze week aan de herkomst van alle kunstwerken in de Oostenrijkse musea te gaan onderzoeken. Hoe dat onderzoek precies zal verlopen is nog niet bekend. In principe zijn de Oostenrijkse musea autonoom en kunnen ze zelf beslissen of ze eigen deskundigen inschakelen of hulp van buitenaf inroepen. De regering heeft geen middelen voor dat onderzoek ter beschikking gesteld en daardoor is de kans groot dat men op eigen medewerkers teruggrijpt.

Volgens Heidemarie Glück, voorlichter van het ministerie voor Onderwijs en Cultuur hoeft dat geen bezwaar te zijn: “Dat onderzoek wordt nu ook al gedaan. Steeds weer ontdekken archivarissen materiaal dat niet terecht in bezit van hun museum is. En dan proberen ze de eigenaar op te sporen.” Wolfgang Neugebauer, directeur van het Dokumentationsarchiv des Österreichischen Widerstandes, is met deze oplossing minder gelukkig. “Dat onderzoek moet door een externe commissie worden gedaan. Alle kunstwerken die tussen 1938 en zeg maar 1946 zijn binnengekomen, moeten geïnventariseerd en publiek gemaakt worden. De medewerkers weten dat hun museum een kunstwerk kwijtraakt als de dubieuze afkomst bekend wordt. Daar zal niemand blij mee zijn. Zelfcontrole is altijd problematisch.”