Nova Zembla

Omstreeks half januari zijn de boekjes binnen. De mooie boekjes die niet zijn gemaakt om in de krant te worden besproken, maar die de uitgevers met Nieuwjaar uit genegenheid of bijzondere overwegingen aan hun 'vrienden en relaties' sturen. Een boekje is een kleinood van zorgvuldigheid in papier en drukinkt, een plat voorwerpje waarin vorm en inhoud tot hun uniek-geurende eenheid zijn samengebracht.

Ze zijn om te bekijken, te bestrijken, je neus in te steken, en ook nog om te lezen. En tenslotte zijn de boekjes tekens, of signalen, zoals tegenwoordig vaak wordt gezegd. Door de boekjes die je hebt ontvangen weet je bij welke uitgevers je nog tot de intimi hoort, en door de boekjes die je niet hebt ontvangen, bij welke je het afgelopen jaar in ongenade bent gevallen.

Alle boekjes die ik heb gekregen, zijn mooi. Thomas Rap met zijn Er moet toch iemand gelukkig zijn, een briefwisseling tussen H.L. Mencken en John Fante is werkelijk een kleinood van uitgeverskunst; Van Oorschots Jonge sla in het Oosten, dagboeknotities van Rutger Kopland, genoemd naar een gedicht dat ik hier graag zou overschrijven, zeer de moeite waard; In het spoor van de raaf, gekregen van Meulenhoff, zeventien dichters over de geschiedenis van een gedicht dat ze zelf hebben geschreven, interessant, vult een gat in de markt. Maar het boekje dat dit jaar alle andere overtreft is dat van De Arbeiderspers, het lange gedicht van Hendrik Tollens, De overwintering der Hollanders op Nova Zembla, met een voorwoord van Marita Mathijsen en tekeningen van Ruud de Rode. Meteen moet ik erbij zeggen dat mijn voorkeur niet toevallig is (welke voorkeur trouwens wel) maar in dit geval ook gemakkelijk te verklaren. Mijn moeder kende het gedicht uit haar hoofd. Toen ik klein was heeft ze het dikwijls voor me opgezegd, met de gepaste dramatische dictie, zodat ik, de regels nu lezend, haar stem en haar gezicht weer gemakkelijk kan oproepen.

Veel mensen kennen één regel, zonder te weten dat die van Tollens is, en evenmin ervan op de hoogte dat het de slotregel is, het besluit van een weergaloos vaderlands drama:

En rekent d'uitslag niet, maar telt het doel alleen.

Mij lijkt het zelfs een late variant op wat Willem de Zwijger heeft gezegd over de noodzaak tot ondernemen zonder de verplichting te slagen. Het is een wijsheid die aan zoveel auteurs wordt toegeschreven dat je langzamerhand van een volkseigendom kunt spreken.

Tollens begint als volgt:

Nog hield het schriklijk pleit van dwang en vrijheid aan; Nog droeg der vaadren erf de Spaansche legervaan En dronk om strijd het bloed van landzaat en van vreemden; De kneuzende oorlogsvracht beploegde Vlaanderens beemden

Onder deze omstandigheden worden niettemin twee schepen gereed gemaakt. Heemskerk en Barends zullen 'om de Noord' varen en een andere route naar het Verre Oosten ontdekken. Ze blijven in het ijs steken en overwinteren op Nova Zembla. De verschrikkingen die ze daar beleven worden in dit gedicht uitvoerig beschreven.

'Niets is gemakkelijker dan een vers bespottelijk te maken', schrijft Marita Mathijssen. 'Niets zo vrijblijvend als beweren dat de oudere Nederlandse letterkunde weinig om het lijf heeft. Niets is zo moeilijk als literaire gebruiken die ons vreemd geworden zijn op waarde te schatten.' Ik las en probeerde me degenen voor te stellen die, in 1819, de eersten waren aan wie Tollens zijn Overwintering heeft voorgelezen. Hebben die niet op het puntje van hun stoel gezeten terwijl ze door de dichter van ramp na ramp werden gesleept? Ik dacht: Tollens is niet om te lezen maar om voor te dragen, met een stem als van Albert van Dalsum. Dan weet je: het is niet van deze tijd, maar het liegt er niet om.

Deze tijd is evenmin vrij van rethoriek, en nog minder van rethoriek die in extra hypersuperlatieven uit de bocht vliegt. Het is jammer dat we er zo aan gewend zijn dat we er niets van merken, of dat we denken: het zal wel, zo hoort het blijkbaar. Het is vooral jammer voor Tollens, die in een modernisering tot eigentijdsheid waarschijnlijk geen slecht figuur zou slaan op de vrije markt van onze rethoriek.

Nog twee regels tot besluit:

Vaarwel, rampzalig oord, misdeeld van elken zegen!

Geen voet betreê uw boôm, geen adem waai u tegen!

Zulke regels had je niet graag willen missen.