Nevenfuncties met bijverschijnselen

Het adviseurschap van procureur-generaal D. Steenhuis bij het bureau Bakkenist heeft opnieuw de aandacht gevestigd op de nevenbetrekkingen van functionarissen in publieke functies. Is dit wel of niet een maatschappelijk gewenst verschijnsel met adequate regels?

ROTTERDAM, 16 JAN. Minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) sprak vorige maand in de Tweede Kamer zijn twijfels uit over de integriteit van Nederlandse bestuurders en politiemensen. “Het algemene beeld is zeer verontrustend. Ik heb reden tot grote zorg.” De sussende woorden van een enkel Kamerlid schoten de minister zelfs in het verkeerde keelgat. “Als het om incidenten gaat, waarom zit ik hier dan?”

De integriteit van openbare bestuurders is in het geding. Uit een onderzoek van de Vrije Universiteit in Amsterdam onder zeventig procent van de Nederlandse gemeenten bleek begin vorig jaar dat gemeente-ambtenaren en -bestuurders zich jaarlijks ten minste 450 keer schuldig maken aan fraude, corruptie, diefstal, lekken van informatie en - wat nu speelt in de zaak-Steenhuis - belangenverstrengeling. De onderzoekers noemden dit een reëel probleem.

De Leidse hoogleraar H. Franken, die vorig jaar zijn Dies Natalis-rede voor de Leidse universiteit wijdde aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, is een voorstander van nevenfuncties voor leden van de rechterlijke macht. “Anders krijg je mensen die te veel wereldvreemd worden.” Hij vindt de ophef rond Steenhuis “een storm in een glas water” als diens werk bij het adviesbureau Bakkenist zich inderdaad beperkte tot “wat lessen en een enkel gericht advies”. Voorwaarde is wel, vindt hij, dat Steenhuis “formele noch materiële” relaties onderhield met de mensen die het Groningse onderzoek uitvoerden.

Leden van de rechterlijke macht zijn sinds 1 januari vorig jaar verplicht zowel bezoldigde als onbezoldigde nevenfuncties in het openbaar te laten registreren.

Nevenfuncties zijn in principe toegestaan, maar als in een bepaalde rechtszaak belangenverstrengeling dreigt, moeten leden van de rechterlijke macht zich verschonen: de zaak uit handen geven. Het is hun eigen verantwoordelijkheid te bepalen wanneer dit nodig is. Als zij het nalaten, kunnen advocaten een verzoek indienen tot wraking. Bij inwilliging daarvan gaat de zaak ook in andere handen over.

Volgens P. Ruijs, lid van een groep burgers die al jaren strijdt tegen belangenverstrengeling bij de rechterlijke macht, is dit niet genoeg. “Er moet een sanctie op staan als ze niet al hun nevenfuncties bekendmaken.” Zelf vindt hij elke bezoldigde nevenfunctie voor leden van de rechterlijke macht te ver gaan. “Hun salaris is niet voor niets wettelijk vastgelegd. Dat is juist om hun onafhankelijkheid te waarborgen.”

Hoogleraar Franken vindt striktere richtlijnen niet nodig, ook al gaan er af en toe functionarissen in de fout. “Dat moet je dan geweldig gaan uitpeuteren. Mag zo'n man of vrouw bijvoorbeeld commissaris zijn in het bedrijf van zijn broer? Ik vind dat er bij de recrutering van de rechterlijke macht zo gelet moet worden op het karakter en de integriteit van zo iemand dat je erop kunt vertrouwen dat ze integer genoeg zijn.”

N. Koeman, advocaat en hoogleraar bij de afdeling Bestuursrecht van de Universiteit van Amsterdam, vindt dat de zaak-Steenhuis aantoont dat “iets van richtlijnen wel wenselijk zou kunnen zijn”. “Je moet constateren dat de antennes van betrokkenen niet zo gericht zijn dat ze allemaal a priori dezelfde keuzes maken.” Zeker voor mensen als procureurs-generaal, die een meer beleidsmatige functie hebben en niet in concrete zaken in de rechtszaal staan, is het systeem van openbare registers, verschoning en wraking wellicht onvoldoende, meent de hoogleraar.

Koeman wijst erop, dat het verschijnsel van mogelijke belangenvermenging zich in nog sterkere mate voordoet in het openbaar bestuur, “zeker naarmate de arbeidstijdverkorting meer toeslaat”.

Voor notarissen gelden duidelijke richtlijnen als het gaat om het bekleden van nevenfuncties, zegt een woordvoerder van de Koninklijke Notariële Broederschap. Zo mag er bijvoorbeeld bij geen enkele functie provisie worden aangenomen, notarissen mogen geen faciliteiten aan instellingen bieden en bij elk adviseurschap moet “de nodige terughoudendheid in acht worden genomen en er mag nooit sprake zijn van belangenverstrengeling”.

J.Th. J. van den Berg, hoofddirecteur van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en met twee betaalde nevenfuncties, heeft in principe geen bezwaar tegen het hebben van nevenfuncties in het openbaar bestuur. “Op zichzelf heb ik daar geen problemen mee. Het kan heel gezond zijn om door middel van nevenfuncties kennis te verwerven van maatschappelijke ontwikkelingen. Het bedrijfsleven hoort daar net zo goed bij als elke andere sector.” Of de functie betaald wordt of niet, is daarbij voor Van den Berg niet van belang. “Als je in je hoofdfunctie danwel in je nevenfunctie niet effectief kunt opereren, moet je het niet doen.”

F. Heemskerk, algemeen secretaris van de Nederlandse Orde van Advocaten, zegt dat hij nooit eerder heeft gehoord dat het hebben van nevenfuncties van een procureur-generaal of een officier van justitie tot problemen heeft geleid. Maar Heemskerk wijst erop dat de staande magistratuur geen geschreven gedragregels kent en ook geen tuchtrecht, zoals in de advocatuur. “Wel is er de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de procureur-generaal van de Hoge Raad, maar ik vraag me af of dat nou zo'n levendige rechtsgang is.”