Nederland en de euro

HET KABINET-KOK heeft de gelederen weer gesloten. De aanstaande besluitvorming over de Nederlandse deelname aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) werpt haar schaduwen vooruit. Tweespalt tussen de twee hoofdrolspelers in het kabinet, de minister-president en de minister van Financiën, zou buitengewoon schadelijk zijn. De afzonderlijke leden van het kabinet en een zo groot mogelijke meerderheid van het parlement dienen het naadloos met elkaar eens te zijn over een onderwerp dat zo belangrijk is als de monetaire unie.

Het besluit over de EMU is buitengewoon ingrijpend. De gulden, een munt met een geschiedenis van eeuwen, wordt opgegeven voor een Europese munt waarmee geen historische binding bestaat en die nog geen bewezen harde reputatie heeft. De euro wordt het betaalmiddel van een aantal lidstaten van de Europese Unie. Het wordt ook een belangrijke internationale reservemunt.

Voor Nederland, dat zich in monetair opzicht decennialang achter de munten van andere landen heeft kunnen verschuilen - de dollar tot 1971 en daarna de D-mark - is de stap naar de EMU in dubbel opzicht internationaal beleid. Het binnenlandse politieke standpunt dat Nederland de komende maanden zal innemen, heeft bij uitzondering werkelijk een buitenlands-Europese betekenis. Na invoering van de EMU krijgt Nederland bovendien rechtstreekse monetaire medeverantwoordelijkheid.

DE OVERGANG van de nationale munten naar de euro - giraal vanaf 1999 en chartaal vanaf 2002 - betekent daarom veel meer dan aanpassing van prijslijsten en automaten. Soevereine landen geven vrijwillig hun nationale monetaire zelfstandigheid op en dragen deze over aan een supranationale centrale bank met een gezamenlijk bestuur. Ze spreken daarmee impliciet uit erop te vertrouwen dat geen van de deelnemers van plan is de gemeenschappelijke munt te ondermijnen.

Ter schraging van dit vertrouwen zijn in het Verdrag van Maastricht criteria voor deelname aan de EMU vastgelegd, die vorig jaar zijn aangevuld met criteria voor begrotingsstabiliteit na invoering van de euro. De toelatingscriteria hebben de afgelopen jaren als katalysator gefunctioneerd om de overheidsfinanciën in de Europese landen op orde te brengen. In Nederland, maar ook elders, bijvoorbeeld in de zuidelijke lidstaten.

Hier komt het dilemma. Zijn alle aspirant-deelnemers aan de monetaire unie economisch en politiek klaar voor een gemeenschappelijke munt? Hoe structureel zijn de inspanningen om aan de toelatingsnormen te voldoen en hoe ingebed is de cultuur van een stabiele, harde munt? Hierover bestaan gerede twijfels en dat wekt geen verbazing. De Nederlandse gulden is, met uitzondering van de misser van het kabinet-Lubbers in 1983, nooit in koers bij de D-mark achtergebleven, de ankermunt van Europa. Op die reputatie kan geen enkele andere Europese munt terugkijken.

DE TWEEDE KAMER voerde gisteren een spoeddebat naar aanleiding van het bericht in deze krant over een dreigement van minister Zalm om af te treden als Nederland zou instemmen met deelname van Italië aan de monetaire unie. Het debat ging niet waarover het ging. Nadat de minister maar liefst zes keer staccato, in betonnen bewoordingen had herhaald “Ik heb niet gedreigd met aftreden”, vatte fractievoorzitter Rosenmöller (GroenLinks) aan het slot van het debat het onbevredigde gevoel met een kluitje in het riet te zijn gestuurd, trefzeker samen: de minister van Financiën zei wel wat hij niet heeft gedaan, maar hij zei niet wat hij wel heeft gedaan.

Een gemeenschappelijke munt kan niet van de ene dag op de andere worden ingevoerd. De tijdsspanne tussen de besluitvorming op de Europese top in Maastricht, december 1991, en de vaststelling van de deelnemende landen, mei 1998, heeft een publieke discussie ernstig bemoeilijkt. Aanvankelijk duurde het nog zo lang voordat de EMU zou komen - en was het zelfs onzeker óf de euro er zou komen. Toen het eenmaal duidelijk werd dat het project op schema zou doorgaan, werd gezegd dat het te laat was om er nog over te praten omdat de besluiten allang waren genomen.

Daar komt nog een vorm van ongemak bij. Alle grote politieke partijen, dat wil zeggen de drie regeringsfracties en het CDA, zijn voorstanders van de Europese integratie, inclusief de monetaire unie. Alle zijn voorstanders van een harde euro en van strikte toepassing van de toelatingscriteria. Geen van deze partijen wil de onderhandelingspositie van het kabinet in de laatste ronde van het EMU-spel ondermijnen.

TOCH ZIJN ER uitgesproken verschillen van opvatting, waarbij de gemengde gevoelens van de bevolking over het opgeven van de gulden natuurlijk een rol spelen. Drie dagen na het formele besluit van de Europese raad van regeringsleiders en staatshoofden over de deelnemende landen aan de Economische en Monetaire Unie, heeft Nederland Tweede-Kamerverkiezingen. Het spoeddebat in de Kamer was de voorbode van de grote politieke betekenis die de EMU de komende maanden zal krijgen.

Het kabinet-Kok heeft de gelederen gisteren weer gesloten. Nu de Europese monetaire besluitvorming en de nationale politieke agenda parallel lopen is de vraag: voor hoe lang?