Meloen en vuurwerk

Kazumi Yumoto: De kippige, de dikke en ik. Vertaald uit het Japans door Paul Heijman en Momoyo Kato. Querido, 167 blz. Vanaf 10 jaar. ƒ 29,90

Vanaf een foto op het omslag gapen ze je aan: een muizig jongetje met een ronde bril, zijn bolle vriendje wiens haar en huid een fluwelige glans hebben en de scherpgesneden trekken van de hoofdpersoon. Zes Japanse ogen, brandend van nieuwsgierigheid. Zo ervaar je iets van wat 'de ouwe man' moet hebben gevoeld voordat hij ze kende. Wekenlang hielden de jongens zijn verveloze huisje, zijn vuilnis, zijn tuin, zijn laatste restje leven scherp in het oog. Kawabe, Yamashita en Kiyama, de kippige, de dikke en de 'ik', willen namelijk weten hoe een dode eruit ziet.

Deze bejaarde werd uitverkoren, want hij ziet eruit alsof het leven hem elk moment kan ontglippen. Maar de ouwe man, zoals ze hem consequent blijven noemen, heeft ze al gauw door. Hij jaagt hen de stuipen op het lijf door te doen alsof hij gestorven achter de deur ligt. Daarna worden ze vrienden.

De kippige, de dikke en ik is een Japans kinderboek, geschreven door Kazumi Yumoto. Afgezien van details, zoals de voorliefde van de jongens voor meisjes met 'Westerse ogen', is het verhaal zeer herkenbaar. De jongens zijn van alle tijden en van alle landen, met hun ondernemingsdrang, fantasieën en onzekerheden. De enige steek die vertalers Heijman en Kato hebben laten vallen, is het onverklaard laten van de dagelijkse gang van het drietal naar het geheimzinnige 'juku'.

Het boek is verder even gezellig en grappig als de titel al doet vermoeden. Er gebeurt niets avontuurlijks of sensationeels, toch wil je het in een keer uitlezen. De jongens groeien op. Het boek geeft een stukje van hun leven weer, de cruciale tijd vlak voor je van de basisschool naar een vervolgopleiding gaat. Binnenin hen gebeurt er van alles, waarmee ze dankzij de ouwe man leren omgaan.

De ouwe man lost niets op, geeft nergens expliciet raad, laat de jongens in tegendeel hard werken aan het opknappen van zijn huis. Maar wel geeft hij ze meloen, prijst ze voor hun prestaties, steekt een keer vuurwerk voor ze af.

Zonder veel te beschrijven of te duiden laat de schrijver doorschemeren waar het eigenlijk om gaat tussen de jongens en de ouwe man. Kiyama vertelt het verhaal. Onnadrukkelijk, allesbehalve tranentrekkend, komen de problemen van het drietal thuis aan de orde. Kiyama's moeder drinkt en let nauwelijks op hem. Alleen als ze hem eten voorzet wil ze hem nog weleens met lodderige blik gadeslaan.

De driftige Kawabe vertelt rond dat zijn vader een heldendood is gestorven. Daarom heeft hij alleen een moeder. Zijn vrienden voelen wel dat dit niet waar is, maar knikken trouw alsof ze onder de indruk zijn van zijn verzinsels. Yamashita tenslotte, de dikke, is niet zo slim als zijn moeder zou willen. Liever neemt hij het viswinkeltje van zijn vader over.

Hoe goed Kazumi Yumoto kinderen aanvoelt, blijkt bijvoorbeeld aan het einde van het boek: 'Helaas heeft Yamashita het toelatingsexamen niet gehaald. “Nou, dat ouwetje van mij heeft de strijd opgegeven. (-)” zei Yamashita. Hij wordt steeds langer, en ook dikker, en hij begint echt op een visboer te lijken. Kawabe en ik waren trouwens best onder de indruk omdat hij zijn moeder “dat ouwetje van me” noemde; net een volwassen man.'