Kunst werd kous; Kijken is aanraken

Gladde benen in zwarte kousen, een voet in een grijze sok met een rood randje, harige benen - sokloos, een sok van twee meter, Pam Emmerik had een kousenvisioen en zag benen en kousen in musea over de hele wereld. 'Wie sok zegt, zegt kwetsbaarheid.'

Op een ochtend schrok ik wakker. Het bed was overdekt met de restanten van mijn avondmaaltijd, soep met lettervermicelli en een molotovcocktail van pillen en drank toe. Braaksel was gewoon een ver familielid van soep, hield ik me voor. Met gonzend hoofd trachtte ik een paar vermicelli-woorden op mijn hoofdkussen te ontcijferen. Eerst kwam ik niet verder dan FRNSHLS, maar opeens wist ik wat er stond. Een week eerder hadden we alle a's uit de vermicelli gevist omdat we anarchistische soep gingen maken. Ik veegde mijn gezicht schoon. Nog geen half uur later liep ik door het Frans Halsmuseum op zoek naar verdere aanwijzingen. Zaal na zaal bekeek ik alle schilderijen nauwkeurig. De officieren op de schuttersstukken stonden er ditmaal iets te monter bij naar mijn smaak. De hoeveelheid voedsel en drank, lustvol voor hen uitgestald, deed me kokhalzen. Uiteindelijk kwam ik in een zaaltje, meer een kamer eigenlijk, waar een donker schilderij hing van zes mannen. Vijf zittend, één staand op de achtergrond.

Het waren de regenten van het Oudemannenhuis. Een ongelooflijk levendig groepsportret. Het leek alsof de beweging van het schilderen, de losse, frivole kwaststreek die zo kenmerkend is voor Hals, de figuren voortdurend leven inblies. Hals schilderde het in 1664, bijna aan het eind van zijn leven. Het is geschilderd in wat ook wel een verkort handschrift wordt genoemd. Alle ervaring van de kunstenaar is er in samengebald, om het gebrek aan fysieke kracht en uithoudingsvermogen te compenseren. Alle opsmuk achterwege gelaten.

Nog in de negentiende eeuw werd dat niet erg op waarde geschat. De invloedrijke schilder-schrijver-criticus Eugène Fromentin vond dat Hals zijn kracht en trefzekerheid juist had verloren toen hij dit doek schilderde. 'De schilder is voor driekwart dood' merkte hij erover op. Hetzelfde verwijt werd ongeveer een eeuw later Picasso gemaakt toen hij op hoge leeftijd zijn musketiers schilderde en critici hem maar een seniele ouwe zak vonden.

Een van de regenten op het doek keek me lodderig aan. Lang werd gedacht dat Hals hem dronken afbeeldde. Tot er een medische verklaring voor de ongewone gezichtsuitdrukking van de man gegeven kon worden: waarschijnlijk leed hij aan gezichtsverlamming. Maar welke interpretatie je er ook aan geeft, het doet niets af aan de waarachtige weergave van de kwetsbaarheid van mensen waarin Hals zo uitblonk.

Mijn maag begon te knorren. Er verscheen een engel in het museum die een hemelse pizza afleverde die ik dankbaar opat. Ondertussen keek ik naar het schilderij, naar de regenten in hun deftige zwarte pakken, hun fraaie in-witte kanten kragen onder trotse gezichten en vooral naar de kniekous van de man uiterst rechts gezeten. De kous, vrijwel het enige rood op het schilderij, was buitengewoon brutaal geschilderd. Kous werd kunst, kunst werd kous. Ik peuterde een stukje verdroogde vermicelli uit mijn haar en besloot schilder te worden.

Soms wordt je aandacht getrokken door iets dat nogal onbelangrijk lijkt maar vervolgens niet meer uit je gedachten weg te branden is. In de jaren die volgden op het kousenvisioen bezocht ik musea in heel Europa en bewonderde daar schilderijen, tekeningen en prenten waarop kunstenaars alle denkbare verschijningsvormen van de wereld getracht hadden vast te leggen: Olifanten en prinsesjes, woeste zee, Edammer kaas, citroenen en wolkenluchten. Gestorven geliefden en verraderlijke politici. Veldbloemen. Maharadja's. Afgodsbeelden. Een hoop hoeren. De berg Fuji. Napoleon. Spinnen en torretjes. Rooie kool-kleurige leegte. Mummies!

Maar de kousen kwamen steeds terug. Meestal gedragen door vrouwen die niet wisten hoe snel ze ze weer uit moesten trekken.

Op een schilderij van Jan Steen uit 1663 trekt een vrouw, gezeten op de rand van een bed haar kous aan/uit. Het schilderij zit vol toespelingen, het is een vermoeiend soort rebus waarin een slapend schoothondje, een pispot, een luit met gebroken snaar en een met wijnranken omlijste schedel een voorname rol spelen. Alles wat je ziet betekent eigenlijk iets anders. Zeventiende-eeuwers schijnen daar dol op te zijn geweest, vooral als de betekenis dubbelzinnig was. Kous was een ander woord voor kut, zoals pruim, doos, poes en mossel dat nog steeds zijn. Vrouwen werden ook wel laatdunkend piskousen genoemd. Zo bezien kan de pizza-reclame vorig jaar, waarin vrouwen als lekkere dozen aangeprezen werden, beschouwd worden als een twintigste-eeuwse variant op Jan Steen.

Bijna tweehonderdvijftig jaar later schilderde en tekende de Weense kunstenaar Egon Schiele een erotisch oeuvre bijeen dat een ode is aan de kous. In 1912 wordt hij, verdacht van ontvoering van een minderjarige, veertien dagen in een cel gestopt. Op een van de tekeningen die Schiele tijdens dit voorarrest maakt schrijft hij woedend: de kunstenaar remmen is een misdaad, het betekent het vermoorden van ontluikend leven. Nadat gebleken is dat de beschuldiging onterecht is wordt hij wegens de verspreiding van obscene tekeningen toch tot drie dagen gevangenis veroordeeld. Tijdens de rechtzaak verbrandt de rechter een van Schiele's tekeningen boven een kaars.

Schiele laat bij voorkeur zeer jonge meisjes, kinderen nog, voor zich poseren. Hij schildert rokende vrouwen, een naakte zwangere vrouw, masturberende meisjes en lesbische omhelzingen. Dat alles wordt als schokkend ervaren. Zijn voogd keert zich van hem af. De verzamelaar Carl Reininghaus betaalt een advocaat voor Schiele, maar wenst niet langer door hem getutoyeerd te worden. Zelfs een collega als Oscar Kokoschka blijft volhouden dat Schiele slechts een pornograaf is.

Schiele werkt gewoon door, koppig, bezeten. Hij tekent zijn modellen vaak van bovenaf gezien. In verwrongen houdingen liggend, staand of min of meer vrij zwevend door het vlak. Hij bereikt dit effect door in zijn atelier op een ladder te gaan staan terwijl de meisjes op de grond of op een bed liggen. Een werkelijke bepaling van de ruimte is hierdoor niet mogelijk. Het geeft het werk een nerveuze spanning die Schiele zelf, getuige zijn zelfportretten, ook beheerst moet hebben.

Aquarel na aquarel maakt hij, van naakte meisjes met clitorissen rood als kers-tomaatjes. De meesten dragen kousen. Groene kousen. Grijze kousen. Chocoladebruine en okerkleurige kousen. Geruite kousen. Gestreepte. Rode, natuurlijk. En heel veel zwarte kousen. Een waar kousenfeest. De kousen maken de meisjes nog naakter dan ze naakt geweest zouden zijn.

Eind 1997. Geconcentreerd bekijk ik de schilderijen in de schuttersgalerij van het Amsterdams Historisch Museum die vrij toegankelijk is en voetgangers een snelle doorgang biedt. Twee Marokkaanse jongens lopen achter me langs en sissen: 'lekkere lichamen hè, schatje' in mijn nek. Dat verbaast me. De bebaarde, dikbuikige, in zwart gehulde schutters op de schilderijen zien er niet bepaald opwindend uit. Tot ik aan gesluierde vrouwen moet denken. Deze jongens zijn er waarschijnlijk aan gewend om door de bekleding heen te kijken en de naaktheid eronder te zien. Zij dragen hun doorkijkbril dagelijks. Ik vraag me af of ze hem even afzetten als ze naar hun hoogbejaarde buurvrouw kijken of dat ze dan ook dwars door haar bloemetjesjurk en directoire haar welig begroeide, uitgebluste geslacht kunnen zien. Of zouden ze dat nou juist een speciale attractie vinden?

Kijken is begeren. Gezien worden een vorm van aanraking. Mannen kijken, vrouwen worden bekeken, ruw gezegd. In het werk van Pieter Kusters wordt deze opvatting omgedraaid, vooral in de kleine, intieme olieverfschilderijen die hij sinds begin jaren negentig maakt en waarop hij zichzelf naakt afbeeldt in houdingen die veeleer aan vrouwelijke modellen voorbehouden zijn. Dansend, met een doek om zijn heupen geslagen. Slapend op het strand. Lijdzaam poserend op divan of ijsberenvel. Op de rug gezien, z'n onderbroek op z'n knieën, in alleen sokken en schoenen. Op een schilderijtje uit 1994 zit hij met melancholieke blik, naakt op één sok na. Boven hem hangen, aan de rand van het doek, drie sokken aan een waslijn die net niet zichtbaar is. Mannelijke heldhaftigheid wordt belachelijk gemaakt op zo'n manier dat die belachelijkheid zélf iets heldhaftigs krijgt.

Rosemarie Trockel, een Duitse conceptueel kunstenares, becommentarieert in haar werk vaak hoe vrouwen gezien worden, vooral binnen de kunstwereld. In de jaren tachtig maakt ze een serie gebreide schilderijen en objecten. Het tuttige, typisch vrouwelijk geachte breien wordt daarin losgelaten op macho motieven als hamer en sikkel, playboy-bunny's en swastika's, die herhaald worden op een manier die spottend verwijst naar de Minimal Art uit de jaren zeventig. En wat te denken van een gebreide versie van Descartes beroemde cogito ergo sum?*

In 1987 breit ze een paar kousen, Endless stockings van wel twee meter lang, als een parodie op de magerte van modellen in modebladen. Of misschien juist wel als een absurde ode aan een supervrouw die boven iedereen uit zou torenen.

Lucian Freud, kleinzoon van Sigmund, schildert rond 1990 een naakte man op een ijzeren ledikant, gezien vanaf het voeteneinde. De man ligt met opgetrokken, licht-gespreide benen, die ruim zicht bieden op zijn geslacht. Hij houdt zijn hand voor zijn gezicht in een gebaar dat je moeilijk anders dan vertwijfeld kunt noemen. Doordat de zichtlijn van zijn kruis naar zijn gezicht loopt, ga je zijn pik ook een beetje vertwijfeld vinden. Arme pik, arme man. Aan zijn linkervoet draagt hij een half uitgetrokken sok, grijs met een rood biesje, zijn tenen gaan er nog net in schuil. Wie sok zegt, zegt kwetsbaarheid. De sok ligt erbij als een afgestroopt stuk huid. Op doek, zelf een strakgespannen huid die net als menselijke huid weg kan rotten, schildert Freud met bijna duivels genoegen rimpels en plooien, schrale plekken en opgezette aderen. Alle stroeve oneffenheden waarin het leven zich schuilhoudt.

Onder de sok de huid en onder de huid het schilderij. Dat schilderij is het begeren voorbij. Elk spoor van lust ontbreekt. Het is een uitbeelding van eenzaamheid.

Sokloos en behaard zijn de benen op de schilderijen van Philip Guston. Guston behoort met de Kooning, Pollock en Franz Kline tot de abstract-expressionistische schilders voor wie het schildersgebaar op een schilderij het belangrijkst was.

In 1970, allang een succesvol kunstenaar, toont hij opeens een serie figuratieve, cartoon-achtige schilderijen. De critici zijn geshockeerd. Guston verklaart dat hij wil schilderen alsof hij nog nooit een schilderij heeft gezien. Tegelijkertijd beseft hij dat de wereld voor hem één groot museum is.

Het zijn onheilspellende voorstellingen die Guston schildert. Zelfportretten zonder mond of oren, met slechts een reusachtig bloeddoorlopen starend oog, die getuigen van drankmisbruik, depressie.

Painting, Smoking, Eating, uit 1973 toont de schilder in een schematisch weergegeven bed. Er hangt een kale gloeilamp boven zijn hoofd. Alleen dat hoofd steekt boven de dekens uit. Het rookt een sigaret. Op de deken op de borst van de schilder staat een bord met boterhammen, in stukjes gesneden. De schilder staart naar alle troep die hij in zijn atelier verzameld heeft.

Op Ancient wall uit 1976 zijn tientallen naakte behaarde benen over een bakstenen muur geklommen. De voorgrond van het doek wordt in beslag genomen door hun schoenen met ijzerbeslag, zwaar als hoefijzers. Het schilderij is angstaanjagend, een delirium waard.

Guston wordt wegens uitputting opgenomen in een ziekenhuis. In 1977 krijgt zijn vrouw een beroerte. Guston schildert hen samen, in bed, gezien vanaf het voeteneinde. Van de vrouw is alleen het hoofd zichtbaar. De man naast haar is met opgetrokken knieën tegen haar aangekropen. Hij heeft zijn schoenen nog aan. In zijn hand houdt hij een paar gebruikte kwasten. In 1980 overlijdt Guston, zevenenzestig jaar oud.

Als je jong bent is de wereld vol verschrikkingen die jij nog maar net begonnen bent te tellen. Ik nam mijn aandeel niet te licht op. En als de lettervermicelli me niet naar het museum had gestuurd was ik vast voor altijd in bed gebleven, mijn ogen stijf dichtgeknepen.

In de roman Helden van Ray Loriga, een jonge Spaanse schrijver, weigert een jongen zijn kamer te verlaten voordat hij in een popster is veranderd. Volgens hem is dat hetzelfde als een engel zijn. Elke avond voordat hij gaat slapen wenst hij zichzelf geluk. Loriga schrijft: 'deze stad kan je op een miljoen verschillende manieren doden voordat je erachter komt wat je in godsnaam van plan was te zeggen. Het is klote. Maar zo zijn de dingen nu eenmaal. Het enige dat er dan nog overblijft is te vertrouwen op de engelen en ik geloof dat iedereen intussen wel zal weten dat David Bowie degene is die zorg draagt voor de engelen. Dus dan weet je wel waar je naar moet kijken als je wilt dat het sneller licht wordt of als midden in de nacht de gedachte bij je opkomt dat het nergens beter is dan thuis. Je kunt je ogen stijf dichtknijpen als je slaapt maar dat maakt nog niet dat je nachtmerries voorbijgaan (-).

David Bowie is de enige die in staat is je paniek weg te nemen. Hij zorgt al een hele tijd voor alle engelen en hij kan ook voor ons zorgen als we leren op de songs te vertrouwen.' Pas als zijn broer een oor kwijtraakt bij een ongeluk is de jongen bereid om zijn kamer te verlaten en het oor te gaan zoeken. Het verlangen naar de wereld is toch altijd groter dan je denkt. En fantasie blijft de beste doorkijkbril.

*Ik denk dus ik besta

Veldbloemen. Maharadja's. Afgodsbeelden. Een hoop hoeren. Rooie kool-kleurige leegte. Mummies!