Kamer zou aankoop Cézanne toejuichen

ROTTERDAM, 16 JAN. De Kamerfracties van de vier grootste politieke partijen juichen het toe als staatssecretaris Nuis van Cultuur het schilderij van Paul Cézanne (1839-1906), dat als particulier eigendom en als 'uniek en onvervangbaar' kunstwerk tot het beschermd cultuurgoed behoort, zou aankopen.

Het doek Paysage près d'Aix avec la Tour César (1895) staat als een van de vier, in Nederland aanwezige schilderijen van Cézanne, genoteerd op de lijst die hoort bij de Wet tot Behoud Cultuurbezit. Volgens recente, officiële taxaties brengt het op de internationale kunstmarkt nu vijftien miljoen gulden op.

“Zo'n aankoop zou prachtig zijn”, zeggen de woordvoerders van PvdA, CDA en D66 unaniem, maar ze betwijfelen of de benodigde vijftien miljoen gulden daarvoor zal worden vrijgemaakt. Ze doen daartoe geen voorstellen, anders dan dat “er desnoods sponsorgelden aan te pas moeten komen”, aldus M. Beinema (CDA), “want ik zou gaan aarzelen als op fondsen voor musea en andere culturele instellingen bezuinigd moest gaan worden.”

De PvdA bepleit bij monde van J. van Nieuwenhoven een fonds, met bijdragen van zowel het ministerie van Cultuur als bijvoorbeeld Financiën. En E. Lambrechts (D66) vindt vijftien miljoen “een enorm bedrag in verhouding tot wat we aan andere zaken, op het gebied van cultuur uitgeven”.

Van de vier grote partijen is alleen de VVD van mening dat het doek onvoorwaardelijk moet worden gekocht. “Het staat op de lijst, dus Nuis moet die vijftien miljoen betalen”, zegt S. Heemskerck Pillis-Duvekot. “Anders heeft die lijst weinig zin.”

Het doek hing jarenlang als bruikleen in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, totdat de eigenaresse, mevrouw A.H.K Boerhave-Koenigs, dochter van de bekende verzamelaar Franz Koenigs, het eind 1996 plotseling liet weghalen. Vanaf dat moment ligt het opgeslagen in een depot. Nuis bood er aanvankelijk 6,5 miljoen gulden voor. Omdat geen overeenstemming over de prijs kon worden bereikt, stapte de staat in april vorig jaar naar de rechter. Een Haagse rechtbank heeft deze week bepaald dat het doek ruim twee keer zoveel, vijftien miljoen gulden, waard is. Staatssecretaris Nuis heeft nu een maand de tijd om te beslissen of hij het voor dat bedrag wil kopen. Doet hij dat niet dan mag de huidige eigenares het schilderij verkopen.

De Wet tot Behoud van Cultuurbezit is in 1985 van kracht geworden. Op de daarbij behorende lijst staan ongeveer honderd stukken of deelcollecties die om hun uniciteit of kostbaarheid het land niet mogen verlaten. Aan de wet is geen budget verbonden. “Ik denk wel dat deze zaak aanleiding is om die lijst nog eens tegen het licht te houden”, aldus Heemskerck Pillis-Duvekot. “De prijzen voor kunst rijzen de afgelopen jaren de pan uit. En ik heb daarom al eerder gezegd dat nog eens zorgvuldig bekeken moet worden of de lijst geen hiaten vertoont. Moet alles wat er nu op staat er ook echt op staan?”