Innemende bekentenissen

Nigel Nicolson: Long Life, memoirs. Weidenfeld & Nicolson, 291 blz.ƒ 69,60

In het buitenland staat Nigel Nicolson sinds 1973 bekend als auteur van Porfrait of a Marriage, over zijn ouders Harold Nicolson en Vita Sackville-West, die toegewijd samenleefden terwijl ze elkaar vrijlieten in hun homoseksuele voorkeuren. In Engeland is hij niet onopgemerkt gebleven als Lagerhuislid, uitgever en schrijver van een flink aantal andere boeken en van journalistiek werk. Ook komen 200.000 toeristen per jaar zijn naam tegen als zij de tuinen van het zestiende-eeuwse huis Sissinghurst bezoeken, die door zijn moeder zijn aangelegd. Daar woont hij sinds 1967, tachtig jaar oud en nog steeds schrijvende.

De meeste van zijn memoires zijn onderhoudend verteld. De spanning wordt opgevoerd wanneer hij de openbare conflicten beschrijft waarbij hij betrokken is geweest. In 1984 mengde hij zich in de discussie en later in de rechtszaken over de verantwoordelijkheld voor het terugsturen in 1945 door het Britse leger van duizenden anti-titoïstische Joegoslaven naar hun vaderland, waar zij, zoals te voorzien was, werden terechtgesteld. De jonge auteur Nikolai Tolstoi had daar een boek over geschreven, en er ontstond beroering over de vraag in hoeverre de Britse regering, legerleiding en de officieren die de opdracht uitvoerden, konden weten hoe het zou aflopen. Nicolson, die als officier in de Grenadier Guards had moeten meedoen aan de operatie, steunde Tolstoi als getuige. De verantwoordelijken werden niet veroordeeld, en het verhaal leeft voort als een van de bijkomstige gruwelen van de oorlog.

Meer door zijn eigen toedoen kwam Nicolson als Lagerhuislid in het gedrang toen hij zich uitsprak tegen de handhaving van de doodstraf waar de meesten van zijn kiezers in Bournemouth voorstander van bleven; en zijn positie werd onhoudbaar nadat hij zich in 1956 tegen de Britse aanval op Egypte had uitgesproken. Geen lezer zal onverschillig blijven bij het relaas hoe deze beginselvaste en schappelijke man zijn politieke toekomst opofferde.

Voorbeeldige schappelijkheid is een van zijn deugden, ook in minder gespannen verhoudingen. De manier waarop Nicolson zijn fouten, tekortkomingen en onhandigheden behandelt is bewonderenswaardig, zelfs hartversterkend. In 1943, toen hij met zijn bataljon een bergpas in Tunesië bezet hield, kwam de mooie Amerikaanse journaliste, Virginia Cowles, een kijkje nemen bij zijn post, en vrijwel tegelijkertijd verscheen op de vlakte een Duitse pantserwagen waaruit een officier oprees om de omgeving te verkennen. Nicolson had nog niemand gedood in de oorlog; nu pakte hij het geweer van een van zijn soldaten en schoot. 'This was done solely to impress Virginia. She was not impressed. I missed', schrijft hij nuchter. Een ander voorbeeld. In 1955, afgevaardigd naar Straatsburg, deed hij in de culturele commissie een voorstel om waarnemers uit het Oostblok uit te nodigen. Niemand stemde ermee in, en toen hij het voorstel introk keek de leider van de Britse delegatie hem aan met een mengeling van medelijden, opluchting en verachting. 'I lacked the gift of persuading people to support ideas of which they initially disapprove.' Dat zijn innemende bekentenissen, gedaan op de toon van een onbevooroordeeld onderzoeker. Menig lezer zal er zichzelf in herkennen.

Tegen het eind zakt het leesgenot af, bij reisverhalen die iedereen zou kunnen vertellen. Dan gaat de bijzondere smaak van Nicolsons onthullingen verloren; maar de kennismaking met de auteur is gedenkwaardig, en misschien onvergetelijk.