Iedereen

Iedereen is boos op mij, dacht de egel. Hij zat in zijn huis onder de struik. De zon ging onder.

Boven zijn dak hoorde hij de kraai krassen dat hij kwaad was, zéér kwaad, op de egel, en achter de struik stonden de neushoorn en het nijlpaard om de beurt te roepen dat ze genoeg van hem hadden.

De kever en de hagedis liepen voorbij.

'Woont hier soms de egel?', vroeg de hagedis.

'Ja', zei de kever.

'Wat??' riep de hagedis en hij begon te stampvoeten. Ze bleven staan en schreeuwden tussen de takken van de struik door dat ze razend waren op hem, de egel.

Even later stonden er tientallen dieren voor zijn deur te knarsetanden en met hun vuisten te zwaaien, en kwamen er brieven van heinde en ver:

Egel, Ik heb toch zo genoeg van jou...

en:

Afschuwelijke egel, Wacht maar! en: Ellendeling, met die verschrikkelijke stekels van je...

De karper en de snoek sloegen met hun staart in de rivier, zodat het water hoog opspatte, en riepen: 'Egel! Kom eens hier als je durft!' en zelfs de mier zei tegen de eekhoorn dat alles wat je maar kon bedenken of verzinnen de schuld was van de egel.

Er was niemand die niet boos was op hem.

Bevend lag de egel onder zijn struik en luisterde naar de dieren.

Hij had zichzelf zorgvuldig opgerold en dacht: als iedereen boos is op mij, dan moet ik toch ook boos op mij zijn? Dat kan toch niet anders? Maar hoe hij ook tegen zichzelf tekeer probeerde te gaan en wat hij ook van zichzelf probeerde te denken, hij werd niet boos op zichzelf.

Iedereen is dus boos op mij, behalve ik, dacht hij gelaten. Zou ik dan misschien een uitzondering zijn?

Hij wist dat niet, want hij had nog nooit een uitzondering gezien. Hebben uitzonderingen stekels? dacht hij. Kunnen ze zich oprollen? Liggen ze 's nachts vaak na te denken over wat ze willen en wat ze nooit meer willen? Hij moest telkens zijn schouders ophalen, want een antwoord op die vragen wist hij niet.

Buiten de struik raasden en tierden de dieren die boos op hem waren.

Ik weet het nu wel, dacht de egel laat in de avond. Hij had dat naar buiten willen roepen, maar hij hield zijn mond. Dat leek hem verstandiger.

Pas diep in de nacht werd het stil en gingen de dieren naar huis.

De egel spitste zijn oren, en toen hij niemand meer hoorde, kroop hij heel langzaam tevoorschijn.

De maan scheen en er hingen dunne nevels over de struiken en de Iaaghangende takken van de bomen. In de verte glinsterde de rivier.

De egel ging voor de struik zitten, op het natte mos. Er is niemand, dacht hij. Hij zuchtte en voelde tranen in zijn ogen komen.

Urenlang zat hij daar en er was niemand boos op hem.

Pas toen de lucht in de verte rood begon te worden en de merel hoog in de linde zijn keel schraapte, ging de egel weer terug, zijn huis in.

Halverwege de ochtend verschenen de eerste dieren schoorvoetend voor zijn deur.

'Het was een vergissing, egel', zeiden ze 'We hebben ons vergist. We zijn niet boos op je. Het spijt ons'.

De wind blies brieven onder de deur van de egel door naar binnen, waarin hetzelfde stond.

Steeds meer dieren kwamen naar het huis van de egel. 'Het spijt ons!' riepen ze. 'We hebben ons vergist! We zijn niet boos! Egel!'

Ze bonkten op zijn deur. 'Luister! Egel!' Ze klommen op zijn dak en trapten tegen zijn muren. 'Neem ons niet kwalijk!' riepen ze. Ze stonden op elkaars schouders voor zijn raam en schreeuwden zo hard als ze konden: 'Het spijt ons! Het spijt ons!'

Maar de egel hoorde ze niet. Hij sliep.