Het land van de zwarte legende herzien

Robert Lemm: Geschiedenis van Spanje. Arbeiderspers, 313 blz. ƒ 39,90

De Kuise, de Deftige, de Wrede en de Impotente: het zijn maar een paar van de bijnamen waarmee de middeleeuwse Spaanse geschiedenis haar vorsten heeft opgezadeld. Het waren politiek incorrecte tijden, waarin uiterlijke of inwendige karaktertrekken meedogenloos ter identificatie konden worden aangegrepen. Naarmate het beschavingsproces vorderde werden ze steeds schaarser, al kende de zeventiende eeuw nog een Karel de Behekste en de negentiende een Jopie (José) de Drinker en een Isabel de Onfortuinlijke.

Ze zijn allemaal te vinden in de beknopte Geschiedenis van Spanje van de hispanist Robert Lemm. Ze vormen zo ongeveer het enige vrolijke element in het boek, want veel komische ogenblikken heeft de getourmenteerde historie van Spanje niet gekend. Afwisselend gedreven door duister fanatisme en fatalisme, verzengende geloofsijver, berekenende machtspolitiek en tenslotte krachteloze rancune lijkt het land al eeuwenlang de zwarte tegenkant van het moderne vooruitgangsoptimisme te illustreren. De periodieke golven van vervolging en burgeroorlog getuigen ervan.

Toch verzet Lemm zich in zijn boek uitdrukkelijk tegen dit Spanje van de 'zwarte legende', dat hij meer een vrucht van politieke propaganda dan een historische werkelijkheid noemt. Voor hem kende het land zijn ware bloeiperiode in de eeuw die zich uitstrekt van de katholieke vorsten Ferdinand en Isabella tot het bewind van Filips II. Het was een tijd van staatsvorming en externe expansie, van levendige handel en geestelijke verdieping, van een oprecht streven naar rechtvaardigheid en vooral een religieus zelfbewustzijn dat in de visie van Lemm het meest eigenlijke wezen van Spanje uitmaakt.

Dat precies in diezelfde tijd de 'Zwarte legende' van het bloeddorstige Spanje de kop opstak om nooit meer te verdwijnen, heeft volgens Lemm alles te maken met de scheiding der geesten die zich toen in Europa voltrok. De eenheid van wereldlijke en geestelijke roeping, die hij in het theocratisch bewind van die periode door de Spaanse kroon vertegenwoordigd ziet, moest het elders afleggen tegen een moderniteit die geloof en wereld scheidde en de eerste tenslotte zou opgeven terwille van de tweede. Wat zich later in het liberale en verlichte denken werd voltooid, kondigde zich in het protestantisme al aan: het geloof verloor zijn centrale plaats in de inrichting van de wereld en zou daaruit tenslotte geheel verdwijnen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de 'Zwarte legende' haar grootste propagandisten vond in de Apologie van de Nederlandse Prins van Oranje en twee eeuwen later in de smaadschriften van Voltaire. Die laatste zou het doorgeven aan de romantici, voor wie Spanje opnieuw de tegenpool van de Verlichte wereld was, al hadden zij minder behoefte ermee te polemiseren dan zich er huiverend door te laten fascineren.

Lemm weigert deze zwarte mythologie voor zoete koek te slikken, zoals hij haar eerder ook al bestreed in deelstudies over het Spaanse kolonialisme en over de Inquisitie, die hij van haar sinistere roep vrijpleitte. Dat getuigt niet alleen van een onafhankelijke visie, maar ook van grote liefde voor het land waarin hij op zijn beste momenten zijn eigen katholieke idealen verwezenlijkt ziet.

Een neutrale geschiedenis is dit boek dan ook niet. Het is, zo schrijft Lemm in zijn voorwoord, 'een duiding van feiten en gebeurtenissen die zodanig zijn gekozen en gerangschikt dat de lezer door de bomen het bos blijft zien'. Het criterium dat Lemm daarbij heeft aangelegd heeft minstens zoveel te maken met zijn eigen opvattingen over de menselijke roeping als met de historische werkelijkheid zelf. Levensidealen als vrijheid en zelfbeschikking nemen daarin een minder hoge plaats in dan die van geloofstrouw en eerbied voor het gewicht van de traditie. Vanuit deze antiliberale en premoderne overtuiging komt het Spanje van de zestiende eeuw bijna vanzelf naar voren als de meest geslaagde incarnatie van de menselijke bestemming.

Het is de vraag of Lemm die werkelijkheid niet wat te geïdealiseerd voorstelt, maar belangrijker is dat hij met zijn nadruk op de authentieke geloofsijver van de Katholieke Vorsten bij de consolidatie van de Spaanse natiestaat het gangbare beeld op dappere wijze corrigeert. Wat men van die geloofsijver zelf ook moge vinden, de uitwijzing van niet-bekeerde moren en joden in 1492 was vanuit de logica van de staatsvorming een begrijpelijker stap dan wanneer men daarin slechts een vorm van protoracisme of antisemitisme wil zien. Op dezelfde manier verdient ook de inzet van de Spaanse vorsten voor een menswaardige behandeling van de gekoloniseerde Zuid-Amerikaanse volkeren meer waardering dan deze gewoonlijk krijgt, en dat Lemm daarbij uitdrukkelijk spreekt van een door hen ervaren opdracht tot christelijke rechtvaardigheid lijkt me niet overdreven.

Dat daarvoor heftige debatten moesten worden gevoerd om de status van de Zuid-Amerikanen te bepalen (waren het mensen, en uit hoofde daarvan rechthebbende onderdanen van de koning, of niet?) wordt een stuk begrijpelijker wanneer men ziet hoe groot de intellectuele raadsels moeten zijn geweest waarvoor men zich met de ontdekking van de Nieuwe Wereld gesteld zag. De ernst en intellectuele eerlijkheid waarmee die debatten werden gevoerd dwingen ook nu nog bewondering af, hoeveel moeite het ons na vier eeuwen van vanzelfsprekende gewenning aan de humanistische slotconclusies daarvan ook kost de gedachten van de andere partijen ernstig te nemen.

Men hoeft de levensbeschouwelijke keuze van Lemm niet te delen om waardering te hebben voor de wijze waarop hij de Spaanse geschiedenis herwaardeert en daarmee in veel opzichten opnieuw inzichtelijk maakt. Niet ten onrechte spreekt hij - in navolging van de Spaanse historicus Julián Juderías uit het begin van deze eeuw - over 'twee Spanjes' waarin het land sinds de zestiende eeuw uiteengevallen is: het traditionele Spanje met zijn premoderne waarden dat zich uitdrukkelijk van 'Europa' onderscheidt, en het moderne Spanje dat wil liberaliseren, seculariseren en rationaliseren. Dat het eerste door het tweede vaak met evenveel onbegrip verworpen is als het noordelijke en verlichte Europa de Iberische wereld als geheel verachtte hoeft nauwelijks te verbazen.

Lemm spreekt daarbij van 'zelfhaat' en dat is een hachelijke term. Daarmee stelt men de afwijzing van het verleden automatisch gelijk aan de verloochening van de Spaanse ziel of 'landsaard', zoals Lemm het een keer noemt. Inderdaad moet een historicus die, zoals Lemm, in de vijftiende-zestiende eeuw het 'eigenlijke' Spanje ziet, de liberale geest die vanaf de achttiende eeuw doorbreekt wel als 'wezensvreemd' ervaren. Maar er is geen enkele reden om niet het omgekeerde te doen en bijvoorbeeld de verbazingwekkende moderniteit en democratische volwassenheid waartoe Spanje na de dood van Franco moeiteloos in staat bleek te zien als teken van een 'wezenlijk' moderne Spaanse ziel en het katholieke traditionalisme dat ontegenzeglijk nog doorsluimert te diskwalificeren als een tot afsterven gedoemd rudiment.

Dat ook die laatste keuze zondigt door simplisme pleit niet zozeer voor de visie van Lemm, maar wijst eerder op de wankele logische basis van elke poging de geschiedenis van een land te vatten in termen van volkse 'eigenheid' of roeping. Terwijl Lemm terecht spreekt over 'twee Spanjes' en - in het voetspoor van de door hem zeer bewonderde denker Miguel de Unamuno - aandacht vraagt voor het Spanje dat anders is dan Europa, verspeelt hij deze winst weer door alles wat aan deze pool van het 'echte' Spanje niet voldoet als 'onecht' te verwerpen. Dat heeft ongetwijfeld de charme van de duidelijkheid, maar het is eerder een omdraaiing van de karikatuur van de door Lemm bekritiseerde 'liberale' geschiedschrijving dan een remedie daartegen.

Dat wreekt zich door het hele boek heen in een tendentieus en reactionair woordgebruik dat men eerder zou verwachten in een studie van een halve eeuw geleden dan in een nieuw geschreven boek - al wisselt Lemm dat, weinig stijlvast, af met minder gracieuze modernismen als 'afnokken', 'omturnen' en 'de mist ingaan'. Tergend wordt deze vooringenomenheid echter pas tegen het einde van het boek, ongetwijfeld omdat de recente geschiedenis voor ons het gevoeligst ligt. Het is enigszins shockerend te lezen hoe Lemm met kennelijke instemming het ingrijpen van de 'onverschrokken' militair Francisco Franco bij een mijnstaking in het Noord-Spaanse Asturias beschrijft, waar deze ten koste van zo'n vijftienhonderd doden 'het morgenrood dooft'. Het Duitse bombardement op Guernica krijgt voornamelijk vermelding omdat de 'internationale propaganda' die gebeurtenis zo goed wist 'uit te buiten', terwijl de dichter García Lorca bij Lemm 'per ongeluk' gefusilleerd heet te zijn - alsof men iemand ooit per ongeluk kan terechtstellen. Wanneer hij het grote Franquistische oorlogsmonument in de Vallei der Gevallenen ter sprake brengt, verzwijgt Lemm dat die ondergrondse basiliek door politieke gevangenen moest worden uitgegraven.

Over de Franquistische periode en de woelige dagen van de Spaanse Republiek laat zich inmiddels een genuanceerder oordeel vellen dan enkele decennia geleden nog mogelijk was. Maar met een simpele omdraaiing van de tot voor kort geldende eenzijdigheid komt men weinig verder, en het is precies hier dat Lemms lofwaardige poging tot herwaardering van de geschiedenis schipbreuk lijdt. Dat is jammer voor de moedige onderneming van deze eenmansgeschiedenis, die ongegeneerd een periode van tweeduizend jaar vanuit één uitgangspunt pretendeert te beschrijven. Voor Lemms poging tegen alle historiografisch kruimelwerk in opnieuw een totaalvisie te ontwerpen kan men slechts ontzag koesteren. Het is alleen treurig dat het zo'n verkeerde visie is.