Het dubbelleven van Alfred Kinsey (1894-1956); Seksueel tot in zijn tandvlees

James H. Jones: Alfred C. Kinsey. A Public/Private Life. W.W. Norton & Comp, 938 blz. ƒ 96,70

Op 5 januari 1948 verscheen de eerste wetenschappelijke bestseller ter wereld. Het boek telde meer dan 800 dichtbedrukte pagina's en honderden grafieken en tabellen. Het was zwaar, dik, duur en bijna onleesbaar, maar binnen twee maanden werden er alleen in de Verenigde Staten al meer dan 200.000 van verkocht. Dat was nog maar het begin, ook buiten Amerika trok het boek de aandacht en in veel landen verschenen vertalingen. Ook in Nederland , al zou het nog tot 1951 duren voor De sexuele gedragingen van de man in de boekhandel lag. De naam Kinsey was toen al synoniem voor seks-onderzoek en dat is zo gebleven.

Het beeld dat ik van Kinsey had, klopt precies met de indruk die Kinsey graag op de buitenwereld wilde maken. Degelijk, deskundig en een beetje droog. De foto's die er van hem bestaan, laten een ernstig kijkende en stevig gebouwde man zien, die zich van de andere grijze pakkendragers van zijn generatie hoogstens onderscheidde door een springerige bos haar en een opgewekt vlinderdasje. Je gelooft onmiddellijk dat hij hoogleraar biologie op een universiteit in het midden-westen is en er in zijn vrije tijd met een botaniseertrommeltje op uit gaat.

Kinsey was, voor hij beroemd werd door zijn seks-onderzoek, waarschijnlijk 's werelds grootste kenner op het gebied van de galwespen. Hij maakte er jacht op in heel Noord- en Zuid-Amerika, verzamelde er op eigen houtje enkele tienduizenden en deelde ze in zich steeds verder vertakkende groepen en subgroepen in. Hij promoveerde op het onderwerp en bleef er meer dan twintig jaar lang over publiceren. Dat zijn ambities verder reikten, bleek al uit zijn eerste boek, dat wel over galwespen ging, maar werd gepresenteerd als niet minder belangrijk dan A study in the Origin of Species. Kinsey beschouwde Darwin als zijn grote voorbeeld, al begreep hij wel dat hij met galwespen alléén niet de Darwin van zijn tijd kon worden.

De voor de taxonomie kenmerkende werkwijze om soorten tot in detail te beschrijven, te vergelijken, te ordenen en te classificeren heeft Kinsey niet opgegeven toen hij zijn werkterrein eenmaal had verlegd van galwespen naar mensen. Toen ik in 1969 als assistent op het Wetenschappelijke Bureau van de NVSH voor het eerst zijn Sexual Behavior in the Human Male in handen kreeg, vond ik het dan ook niet om door te komen. Dat zal veel van de kopers van het boek nu vijftig jaar geleden niet anders zijn vergaan, maar het ging toen ook minder om wat er in stond dan dat het er in stond. Met dezelfde zorgvuldigheid en objectiviteit waarmee hij de eerste helft van zijn leven de pootjes van vliesvleugeligen had gemeten, vertelde professor Kinsey nu hoe vaak Amerikaanse mannen aan zelfbevrediging deden, vanaf welke leeftijd zij met een meisje naar bed gingen, hoe vaak per week ze de liefde bedreven en of zij na hun huwelijk nog vreemd gingen, of ze seksuele ervaringen hadden opgedaan met andere mannen - of met kinderen - en zich misschien ook overgaven aan sm-spelletjes of het met dieren deden.

Nooit eerder waren zulke verschillende vormen van seksueel gedrag zo precies in kaart gebracht, en zeker nooit eerder waren daar zoveel mensen zo indringend over ondervraagd. Werkelijk revolutionair was echter vooral de vanzelfsprekendheid waarmee Kinsey de hele catalogus aan seksuele gedragsmogelijkheden beschreef. Uit niets bleek dat hij bepaalde vormen van gedrag afkeurde, verwierp of als ziekelijk beschouwde - en dat deed hij ook niet. Voor Kinsey was in principe iedere 'sexual outlet' van de 'human animal' even goed, zolang de betrokkene er een orgasme aan kon beleven en uiteraard anderen door zijn gedrag niet schaadde.

Hedonisme

Kinsey's wel erg libertijnse combinatie van biologisch en hedonistisch denken was destijds zeker voor het zeer puriteinse Amerika ongehoord. Zelfs zijn biograaf voelt zich er niet altijd gemakkelijk bij. James H. Jones doet tenminste erg zijn best te laten zien dat ook Kinsey niet neutraal stond tegenover seks met kinderen. Van de huidige verontwaardiging daarover is in zijn werk echter toch weinig te bespeuren. Jones stelt opgelucht vast dat Kinsey en zijn medewerkers op dit gebied in ieder geval zelf nooit de fout zijn ingegaan, al hebben ze ook nooit aangifte gedaan van de pedoseksuele activiteiten die hen in de interviews bekend werden.

Dat zou uiteraard ook het einde van hun onderzoek betekend hebben. Volstrekte vertrouwelijkheid was voor vrijwel alle respondenten een absolute voorwaarde, omdat bijna iedereen zich wel had overgegeven aan seksuele activiteiten die naar de letter van veel Amerikaanse wetgeving strafbaar waren. Toen - en ten dele ook nu nog - hadden veel Amerikaanse staten zedelijkheidswetten die veel strikter waren dan wat in Europa ooit denkbaar zou zijn. Oraal seksueel verkeer binnen het huwelijk kon iemand al in de gevangenis brengen - en dat gebeurde ook met enige regelmaat.

Afgaande op de cijfers die Kinsey presenteerde zouden maar weinig Amerikaanse mannen niet achter de tralies thuishoren. De strenge regels van de zedelijkheidswetgeving bleken dagelijks miljoenen malen binnen en buiten het huwelijk overtreden te worden. Bijna alle mannen bleken ervaring te hebben met zelfbevrediging, ongeveer 85 procent had seks voor het huwelijk en ten minste een derde van de gehuwde mannen had buitenechtelijke seksuele ervaringen. Prostituée-bezoek was 70 procent van de mannen vertrouwd, bijna evenveel gaven aan oraal-genitaal contact te hebben gehad, terwijl meer dan een derde van alle mannen minstens ooit één homoseksueel contact leidend tot een orgasme toegaf. Zelfs seks met dieren was minder zeldzaam dan vrijwel iedereen zal hebben gedacht. Vooral boerenzoons bleken daartoe nogal eens hun toevlucht te nemen. In een voor Kinsey typerende wijze van redeneren komt hij tot de conclusie dat nog niet de helft van het aantal mannelijke orgasmes (het orgasme was Kinsey's favoriete rekeneenheid) plaatsvond binnen de veilige bedding van het huwelijk.

Seksuele moraal en zedelijkheidswetgeving waren ruim vijftig jaar geleden in de Verenigde Staten dus al mijlenver verwijderd van de werkelijkheid van het seksuele gedrag van de Amerikanen. Dat was ook wat Kinsey wilde laten zien, in schokkend detail en met verpletterende getallen. Kinsey beschreef niet het ziekelijke gedrag van een kleine groep klinische gevallen en wetsovertreders, maar het werkelijke gedrag van de volwassen bevolking. De uitkomsten van zijn onderzoek waren gebaseerd op urenlange mondelinge interviews met meer dan vijfduizend mannen uit alle lagen van de samenleving.

Het 'Kinsey report', zoals zijn onderzoek al gauw ging heten, was in zijn eigen woorden 'a report on what people do'. Dát was wat schokte en dat was natuurlijk ook wat iedereen wilde weten, al was het maar om zichzelf in het gedrag van anderen te kunnen herkennen. Kinsey's hoop was dat het zien van de enorme variatie aan seksueel gedrag tot een andere, tolerantere houding ten opzichte van seksualiteit zou leiden.

Nederland

Dat klinkt allemaal heel vanzelfsprekend, omdat we vijftig jaar verder zijn en een groot deel van wat hij wilde bereiken ook werkelijkheid is geworden. Hij heeft dat zelf niet meer meegemaakt, want hij is al in 1956 vrij jong, op 62-jarige leeftijd, gestorven. Van een toenemende vrijheid op seksueel gebied was in de Verenigde Staten toen nog niets te merken. In Nederland zou het zelfs nog tot 1968 duren voordat onderzoek mogelijk was waarin mensen direct, zij het schriftelijk en heel voorzichtig, naar hun seksuele gedrag gevraagd werd. In Sex in Nederland werden meer dan veertig vragen gesteld over hoe mensen over seksualiteit en geboortenregeling dachten, en ten slotte dertig vragen over hun eigen seksuele gevoelens en gedragingen. Het mondelinge interview dat Kinsey bijna dertig jaar eerder had ontwikkeld, telde driehonderd expliciete vragen over gedrag, gevoelens en ontwikkeling.

James Jones laat er geen twijfel over bestaan dat de presentatie van Sexual behavior in the human male (het deel over het seksuele gedrag van de vrouw verscheen pas in 1953) als een zuiver wetenschappelijk document van een ietwat wereldvreemde professor aan de Indiana University in Bloomington een geniale public-relations-stunt is geweest. Wat Kinsey wilde vertellen, was maatschappelijk zo omstreden en ook voor de auteur persoonlijk zo riskant, dat hij het niet kon stellen zonder de beschermende verpakking van een wetenschappelijk rapport. De belangrijkste subsidiegever, de Rockefeller Foundation, werd door Kinsey ongeveer gedwongen het rapport van een enthousiast voorwoord te voorzien (en daarmee respectabel te maken), de respectabiliteit van de wetenschappelijke uitgever (W.B. Saunders in Philadelphia) was boven iedere twijfel verheven en de pers werd door Kinsey zelf volledig ingepakt. Geselecteerde journalisten kregen op afspraak in Bloomington al voor het verschijnen van het boek inzage in het materiaal, maar waren per contract gebonden aan een strikt embargo en moesten hun teksten aan Kinsey ter beoordeling voorleggen. Dat betekende meestal dat ze helemaal werden herschreven - en dat werd geaccepteerd, zoals het Kinsey ook lukte om voor een groot deel zelf te bepalen wie zijn boek in de vakpers zou bespreken.

Dat was allemaal zonder precedent en het lukte ook allemaal, hoofdzakelijk door de bijzondere kracht en uitstraling van Kinsey's persoonlijkheid. Uit het boek van Jones komt het beeld naar voren van een zeer dwingende, in zijn gedrevenheid overtuigende en door zijn enthousiasme en eenvoud ook innemende man, die niet rustte voor hij kreeg wat hij voor de goede zaak nodig vond. Aan de spartaanse aankleding van zijn instituut en zijn eigen huis was te zien dat het hier om iemand ging die alleen voor zijn werk leefde.

Wie nog mocht twijfelen aan zijn goede bedoelingen en grote kennis van zaken, raakte wel overtuigd in het seksuele interview. Op de een of andere manier slaagde Kinsey er bijna altijd in iedereen die met hem te maken kreeg te veranderen in een respondent voor zijn onderzoek. Hij nam dan zelf het interview af en omdat hij daar buitengewoon goed in was, was het een demonstratie van de kwaliteit van zijn onderzoek, maar verleidde hij degene die tegenover hem zat ook tot openheid over zeer intieme details van het eigen seksuele leven. Misbruik heeft Kinsey daar nooit van gemaakt, maar een soms ongemakkelijk gevoel van afhankelijkheid zal het bij zijn respondenten zeker hebben achtergelaten. Uit brieven en dagboeken blijkt dat het eerste gevoel overigens toch eerder een van euforie is geweest: men heeft het verbodene kunnen uitspreken en daar is niet in het minst veroordelend op gereageerd.

De wijze waarop het seksuele interview werd gebruikt, laat meteen het zwakste punt van Kinsey's onderzoek zien. Ook grote aantallen zeer goede interviews - Kinsey wilde er honderdduizend, het werden er zo'n vijftienduizend - konden op zichzelf nog geen representatief beeld geven van het seksuele gedrag van de Amerikaanse bevolking. Ondervraging van een representatieve steekproef zou zeker destijds tot een te groot aantal weigeringen hebben geleid. Statistisch blijft de kritiek op Kinsey dat hij zich baseert op een onderzoekspopulatie die over vele jaren geleidelijk in omvang is toegenomen en op geen enkele wijze representatief is voor de hele Amerikaanse bevolking. Dat geldt met name juist voor het seksuele gedrag: Kinsey heeft bovenmatig veel respondenten met een grote seksuele behoefte en met een afwijkend seksueel gedragspatroon in zijn populatie opgenomen. Daardoor is bijvoorbeeld het idee ontstaan dat tien procent van de mannen homoseksueel zou zijn, terwijl het in werkelijkheid nog niet om de helft daarvan gaat.

Standjes

Kinsey had er een persoonlijk belang bij een grote variatie aan seksueel gedrag zichtbaar te maken. Hij verenigde in zijn eigen persoon een onverwacht ruime variatie aan seksuele verlangens en gedragsmogelijkheden. Achter de façade van de wat stijve hoogleraar biologie, getrouwd met een saai ogende vrouw, vader van vier kinderen, liefhebber van tuinieren en kenner van klassieke muziek, gaat een man schuil die door Jones wordt geportretteerd als een homoseksueel met een sterk masochistische inslag, een exhibitionist en een voyeur. In het kader van zijn 'Institute of Sex Research' verzamelde Kinsey op grote schaal erotica en liet hij films maken van vrijwilligers, zijn eigen medewerkers en zichzelf bij allerlei seksuele activiteiten. Clara Kinsey zorgde voor de schone handdoeken en de verfrissingen, alcoholvrij en altijd begeleid door zelfgebakken pruimentaarten. In de privacy van haar slaapkamer ontving zij enkele van de medewerkers en collega's weer als minnaars. Sommige van hen hadden ook regelmatig met Kinsey het bed gedeeld.

Het deed mij bij lezing allemaal een beetje denken aan de sfeer die meer dan tien jaar later ook binnen een organisatie als de NVSH zou gaan heersen. Ook daar die sterke drang om seksuele partners te wisselen, het repertoire aan 'standjes' uit te breiden en seksueel gedrag zichtbaar te maken. Op gevoelens werd daarbij minder gelet, omdat de seksuele drift en de seksuele fantasie daar zelf voor werden aangezien. Bij Kinsey, wiens invloed op de NVSH in de jaren zestig mij nu, door de biografie van Jones, veel groter lijkt dan ik ooit heb vermoed, speelt het hele gevoelsleven, met name in de relationele sfeer, geen enkele rol. Seksualiteit en alles wat daarmee samenhangt was in zijn visie niet op zichzelf moeilijk, maar werd onnodig moeilijk gemáákt door godsdiensten en regeringen. Aan zichzelf overgelaten zou de seksualiteit in een rijke variatie van vormen veel bevrediging geven. De wetenschap zou daar belangrijk toe kunnen bijdragen.

Voor Kinsey was het daarom bijna vanzelfsprekend dat hij als wetenschappelijk onderzoeker met zoölogische objectiviteit over de coïtus van twee van zijn eigen medewerkers gebogen kon staan om de omstanders te wijzen op interessante doorbloedingsaspecten of opvallende spiercontracties. Op een ander moment toont hij onder zakelijke toelichting hoe je de kop van een tandenborstel in de pisbuis binnen kunt brengen. Dat was al sinds jaar en dag zijn favoriete vorm van zelfbevrediging, en op zichzelf al een voldoende verklaring voor het feit dat hij met de psycho-analyse of psychiaters nooit iets te maken wilde hebben. Bang voor pijn was hij in ieder geval allerminst, hij besneed zichzelf met een zakmes en bij de zelfmoordpoging die hij in 1954 deed, hing hij zich op aan zijn balzak. Niet thuis, maar op zijn instituut, praktisch in het openbaar dus.

Gevangenis

Het wonderlijke is dat niets van dit alles ooit is uitgekomen. Het had absoluut het einde van het 'Institute of Sex Research' betekend en Kinsey zelf zeker in de gevangenis doen belanden. Jones heeft in de afgelopen 25 jaar met alle betrokkenen gesproken en ook de archieven en het nog beschikbare foto- en filmmateriaal kunnen raadplegen (het boek bevat overigens alleen 'staatsiefoto's' van Kinsey en tal van wetenschappelijke hoogwaardigheidsbekleders). Nu bijna iedereen die het heeft meegemaakt, dood is, mag ook de persoonlijke waarheid over Kinsey verteld worden. Jones doet dat zeer zorgvuldig, al lijdt ook hij aan de literaire elephantiasis die onder Amerikaanse biografen endemisch is.

Juist door de veelheid aan details wordt het moeilijk een goed beeld van Kinsey als persoon te krijgen. Hij was een zeer intense man, die zich van een ziekelijk en zwak kind tot een onvermoeibaar buitenmens ontwikkelde. Hij was een echte 'boy scout'-homoseksueel, nooit gelukkiger dan met de 'jongens' op kamp. Als onderzoeker beschikte hij over een vrijwel onuitputtelijke energie en verzamelde hij de kleinste insekten in de grootste aantallen. Omdat hij zichzelf als pianist niet goed genoeg vond voor een carrière als solist, raakte hij nooit meer een piano aan. Hij gaf niets om vrouwen, maar bleef zo zichtbaar gesteld op zijn echtgenote dat het vermoeden van homoseksualiteit bij niemand opkwam. Hij had de mooiste tuin van Bloomington (en werkte daar graag vrijwel naakt in), maar duldde geen plant die ook in de tuin van zijn vader stond. Hij kon zeer innemend en hartelijk zijn, maar maakte vaak een hooghartige indruk en was absoluut niet in staat tot small talk. Hij was streng gelovig en zeer puriteins opgevoed, maar ontwikkelde zich in zijn latere leven tot een bijna openlijke bestrijder van alles wat met godsdienst te maken heeft. Hij was zeer egocentrisch en verlangde van zijn medewerkers volstrekte loyaliteit, tot in het bed toe, maar tegelijkertijd maakte hij van zijn macht weer geen misbruik en was er niemand die harder werkte dan hijzelf. Hij was in het openbaar uiterst conventioneel, maar privé weinig minder dan een revolutionair.

Veertig jaar na zijn dood en vijftig jaar na zijn onderzoek is veel van Kinsey's gedrag - en van dat van een deel van zijn respondenten - min of meer gewoon geworden, zelfs in Bloomington, Indiana. Zijn 'geheime' films zijn vervangen door video's die overal te koop zijn, de instructieve seksuele oefening is sinds Masters en Johnson geaccepteerd witte-jassengedrag geworden, sportbroekjes zijn ook voor hoogleraren niet ongewoon meer, en niemand zou er nog moeite mee hebben, in beide betekenissen van het woord, om Kinsey als homoseksueel te herkennen. Alleen het tweede gebruik van de tandenborstel blijft af te raden en verraadt iets van de heftige ambivalentie die Kinsey gevoelsmatig ten opzichte van seksualiteit moet hebben gehad. Zoals ook zijn voorkeur voor het persoonlijk seksuele interview iets vertelt van zijn obsessieve behoefte te weten hoe het bij een ander toegaat.

Ook zonder obsessie wordt vandaag in ruime mate aan die behoefte voldaan, maar de obsessie van één man heeft daar wel bij geholpen. De ambivalentie is gebleven, maar de gevolgen zijn meestal minder pijnlijk.