Glamour en werkelijkheid van heroi-cultuur; Iedereen kickt af; Al jaren; popular culture @ the end of the millennium / popcultuur @ het eind van het millenium

Het afgelopen jaar was een jaar vol junkie-chic: foto's van uitgeteerde modellen, junkpunk op MTV en bekentenissen van gebruikende hit-artiesten. Heroïne kreeg een aura van succes en glamour. “De oer junkie-romanticus is geen model of commercieel fotograaf, maar een kunstenaar.”

Vier jaar lang heb ik dagelijks geluisterd naar de vier cd's van Swell, een obscure band uit San Francisco rond zanger en gitarist David Freel. Sublieme schoonheid; onderkoelde, ingetogen, afstandelijke vorm. Vier jaar, toen drong het tot me door waar ik naar luisterde. Heroïne. 1997 was het jaar van de heroïne. Junkie-romantiek heerste van Elle tot Marie-Claire, van Gucci tot Calvin Klein, van Depeche Mode tot INXS, van Basquiat in de bioscoop tot de foto's van Nan Goldin in het Stedelijk. Op de dood door een overdosis van de jonge mode-fotograaf Davide Sorrenti en Smashing Pumpkins-keyboardspeler Jonathan Melvoin, de bekendste van de recente junkiedoden in de VS, volgden boze campagnes tot in het Witte Huis. Met heroin chic kreeg de platte mode- en MTV-glamour de dubbele bodem van de decadentie. Magere, bleke modellen met zwarte wallen onder hun ogen hingen strung out in morsige badkamers, de spichtige Kate Moss was een van de best betaalde modellen. Niets nieuws voor lezers van progressieve bladen als i-D, the Face, en Ray Gun, waar zulke reportages, van fotografen als Corinne Day, Jürgen Teller en de gebroeders Sorrenti, al jaren verschijnen als antwoord op de gelikte campagnes van de industrie. Day fotografeerde Calvin Klein-ster Moss begin jaren '90 al in haar Londense flatje, openlijk anorectisch kleumend in een Zeeman-onderbroek en verzon er wat dure merken bij om de foto's te verkopen. In 1997 werd deze reactie op shiny happy people-esthetiek door de industrie volkomen ingelijfd. Merken en prijzen waren niet meer uit de duim gezogen: de K-mart t-shirts, trailer tops en Albert Cuyp-jeans waren echt van Gucci, Versace en Calvin Klein. Met 'Elegantly Wasted' van INXS werd Nirvana's junkpunk ook op MTV mainstream op een miljoenenbudget, en hit-artiesten als David Gahan van Depeche Mode en Mark King van Level 42 zagen brood in bekentenis-interviews. Corporately Wasted.

Junkie chic werd zo'n pose dat het bijna verrassend was dat er nog echte doden vielen. Maar voor de jonge fotografen, acteurs en modellen in New York en L.A. is het meer dan de afspiegeling op MTV en in de bladen. Davide Sorrenti wás heroin chic, met modellen-vriendinnetjes, snelle auto's en goedbetalende commerciële opdrachten. Kevin Williamson, schrijver van het boek Drugs and the Party Line, vertelt: “In de kunst-, mode- en reclamewereld downtown Manhattan is smack allang niet meer iets voor losers, zoals bij ons. Het heeft een nieuw aura van succes en glamour - very goldcard platinum.” Davide's moeder Francesca Sorrenti, zelf een bekend modefotografe, en Mike Melvoin, vader van Smashing Pumpkin Jonathan Melvoin en voormalig directeur van de NARAS (National Academy of the Recording Arts and Sciences), riepen de mode- en platenindustrie op te stoppen het gebruik van heroïne in eigen kring te gedogen en naar buiten toe te romantiseren. Afkicken of je contract verliezen, zegt de NARAS. Scott Weiland van de Stone Temple Pilots werd tijdens een tour al naar huis gestuurd.

Brussel, een Swell-optreden. Tussen de nummers in ligt David Freel achter een box, een vale klont in een morsig t-shirt, fles Jack Daniels in de hand. De woorden 'going up' in het liedje 'Portland' worden 'fucking up': 'fucking up is easy'. Twee uur 's nachts. Freel is verdwenen, de rest eet pasta. De apparatuur is ingeladen. Het optreden morgen valt uit, niet uren rijden dus, maar de eerste vrije dag deze zes weken. De nieuwe drummer John vertelt over een stuk dat hij die middag (ochtend? nacht? hoe laat is het? hoe laat is het thuis?) gelezen heeft in Time Magazine, een treffende beschrijving van de tour-praktijk. “Dag- en nachtritme, alle routines, worden doorkruist. Het is licht en donker, etens- en bedtijd op willekeurige momenten. Controle over het eigen lot verdwijnt in handen van steeds wisselende vreemden, die nergens op aanspreekbaar zijn. De relatie tussen gedrag en beloning vervalt: op slechte en goede prestaties wordt willekeurig gereageerd. En het gaat dag en nacht door, zonder ophouden, zodat er geen moment is voor herstel..” Het stuk ging trouwens niet over een rocktour, maar over CIA-martelmethoden. “Thuis stap ik na een tijdje wel weer over op methadon”, zegt David Freel. “Maar tournees zijn hell.” Veel tourmanagers zijn zelf cokeheads, contracten worden deels voldaan in drugs, ontwennende muzikanten kunnen niet spelen en afgekickte muzikanten willen vaak alleen nog gospel maken, of worden depressief en spelen helemaal niet meer. Als artiesten de helft van het wurgprogramma afzeggen om te mediteren en hun twaalf-stappen programma's bij te houden, zullen ze veel fans teleurstellen.

Om in de Amerikaanse vermaaksindustrie, die alle clichés overtreft, clean te blijven moet je bovennatuurlijk stevig zijn. Het gaat niet om kwaliteit maar om geld en dus om promotie: touren en publiciteit. Als je het maakt, valt er altijd meer te verdienen en gaat alles gewoon een paar versnellingen hoger. Wie niet verkoopt wordt gedumpt. En romantisch mislukken tot slot doe je hier ook niet. A loser is a loser. Een soort eco-merk voor scharrelartiesten zou een zinvolle middenweg zijn tussen schijnheilige druk op muzikanten van bovenaf en consumentenhonger van onderaf, maar korte-termijnbelangen beperken de actie tot retoriek. En de bands zelf doen vaak alles voor succes.

Dat hij verslaafd is moet Freel me zelf vertellen. Ik had het kunnen vermoeden bij het eerste nummer van de allereerste cd. Het klinkt als een intentieverklaring, die begint met één enkele gitaarriff, die hartverscheurend door de verlaten loods van de oude Swell studio, 41 Turk St. in San Francisco, giert. Op een loom, dof weerkaatsend ritme ebt het steeds lager weg, waarna Freel zijn vreemd intense eerste regels zingt gonna take a vow/ gonna leave this place together. gonna take a vow/ gonna leave this place forever. Een lage gitaar zet dreigend in, en Freel verheft zijn neutrale, compromisloze stem: aching to find where the tulips cry/ on and off and on again i still/ get/ high.

Junkie-romantiek begon niet in de modewereld, niet op MTV. Heroin chic is esthetisch, een verwijzing. De oer junkie-romanticus is geen model of commercieel fotograaf, maar een kunstenaar. De esthetiek van Corinne Day en Jürgen Teller verwijst naar de foto's waarmee Nan Goldin in de jaren '70 haar eigen leven tastbaar probeerde te maken. Portretten van haarzelf en haar zelfgekozen familie van junks en travestieten, waarop ze de pijn van het bestaan liet zien in verkleurende kneuzingen, grauwe lichamen verwikkeld in naakte seks, hoopvolle blikken en rafelend beddegoed. MTV verwijst naar het rauwe junkie-portret in de film Drugstore Cowboy (Gus van Sant, 1989), en de reeks heroïne-films die daarop volgde: Pulp Fiction ('94), Killing Zoe ('94), Basketball Diaries ('95), Trainspotting ('96), Fresh ('96), en Basquiat en Curtis Chaplin afgelopen jaar. Zelfs de dood van Davide Sorrenti heeft de glamour van een reclame-versie van die van onaangepaste doden uit de rockwereld.

San Francisco, inchecken bij het Renoir Hotel. Naast me, aan de andere kant van het raam, klinkt rumoer. Een magere zwarte jongen houdt een pistool tegen iemands slaap. 'I'm gonna kill you, motherfucker.' Junks. Een paar blocks verder is met tape het getal 41 op een vaalrode deur geplakt. De oude Swell studio, boven een gebarricadeerde afhaal-Vietnamees, is een vervallen, smerige doos in de Tenderloin. Voor de ramen hangen grijze lappen. De junks aan de overkant van de straat staan stil te staren. Die avond spelen de Radar Brothers uit Los Angeles. David Freel kijkt ineengedoken toe. Radar bassist Senon Williams praat met collega's, vooral over het druggebruik van bandgenoten en ex-bandgenoten: 'Chuck nog gezien?'..'Kicking it, hoorde ik. Schijnt wel serieus te zijn.'..'Ríght..'

Senon: “Iedereen kickt af. Al jaren.” Wat alcohol is voor schrijvers, is heroïne voor muzikanten. Charlie Parker en Chet Baker zijn de bekendste slachtoffers uit de jazz-scene eind jaren '40. 'Brown Sugar' van de Stones, Lou Reeds 'Heroin' en Neil Youngs 'The Needle and the Damage Done' gaan van rush naar down. Net als de scenes, van de Britse beat scene halverwege de jaren '60 via Warhols Factory tot de overdosis-cliché's van Joplin, Hendrix en Morrison. Sid Vicious (Sex Pistols, '79) liep vooruit op de golf punkdoden die begon met Hillel Slovak (Red Hot Chili Peppers, '88): Kurt Cobain (Nirvana, '93), Kirsten Pfaff (Hole,'94), Dwayne Goettel (Skinny Puppy, '95) en cult-acteur River Phoenix ('93). Een scene ontstaat gauw rond de grootste talenten, vaak vroegbeschadigd en overgevoelig, het wankele gevoelsleven compenserend met obsessief werken. Heroïne houdt ze op de been. Linda Yablonski, schrijfster van de autobiografische fictie-bestseller The Story of Junk: “Smack is zelfmedicatie bij depressies. Mij hielp het denken, schrijven en werken. Het is troostrijk, the mother of all hugs and braces.”

Hij zet de spuit in zijn arm. Trekt. Het reservoir wordt limonadekleurig. Ze zeggen altijd dat je dood gaat als er lucht in blijft zitten, zegt David Freel. Dat is onzin. Zo'n bel kun je makkelijk hebben. Hij trekt de band los. Duwt het reservoir weer leeg, smeert. We zitten op de beige stoelen van een zitje in zijn hotelkamer. Tussen ons in glanst het marmeren tafelblad in het licht van het tl-buisje onder de spiegel. Het is steenkoud. De tv ruist, de klok wijst 6.28u. Dikke beige gordijnen houden de Brusselse ochtend buiten. Hij strooit het bruine spul op tafel, maakt een lijn voor mij met zijn mes, lichtblauwe ogen, grijze wallen. Dunnend naar achteren gestreken haar, pafferig gezicht, grauw borsthaar uit de v-hals van een smerig wit t-shirt. Hij schuifelt door de kamer op zoek naar de verwarming. Draait aan een knop. Hij laat zijn bleke lichaam zakken op de matras, nestelt zich tegen de muur. We zwijgen, niet echt tv-kijkend. Hij slaat de bruine synthethische sprei naar achteren en trekt het stugge witte laken met de deken over zijn voeten.

Freel gebruikt een jaar of tien, de laatste twee jaar dagelijks. “Dit is fascinerend, mijn eerste grote obsessie. Niets heeft me ooit zo totaal in beslag genomen.” Verslavingen maken het leven op de korte termijn overzichtelijk: keuzes zijn niet nodig. En voor wie opgroeide in zware omstandigheden kan de doffe wanhoop van een verslaving bovendien vertrouwd aanvoelen. Change, choice, choose en chosen. Ze keren steeds terug in Swell-liedjes, zoals in Everything, - everything looks green tonight - unheimlich als het groene café van Van Gogh: can't understand why i can't change anything/ don't understand why just know that this should stop. “Ik noem onze muziek cynisch idealisme,” zegt David Freel. “Ik ben een idealist. Vroeger vonden mensen me arrogant en hard. Mijn vader zat in het leger, maar ik geloof niet meer in het recht van de sterkste. Ik wil niet meer beter of slechter zijn dan anderen. Mijn muziek is niet alleen voor hoogbegaafde, hypergevoelige mensen. Ik wil communiceren met iedereen.” De weerbarstige, fijngevoelige Swell-albums hebben nauwelijks verkocht. Het nieuwe, dat in april verschijnt, wordt een collectie 'perfect popsongs'.

Freels zang lijkt van de bodem van het bestaan te komen. Niet een plek waar je je stem nog gemakkelijk verheft, of dingen anders of mooier probeert te maken dan ze zijn. Wat hij doet is moeilijk te beschrijven: van bijna elke zangstijl kun je makkelijker zeggen wat er gebeurt dan van geen stijl, van niets extra's doen, van niets doen dus eigenlijk. Het drukt machteloosheid uit en apathie, maar ook acceptatie, berusting, loslaten. Op de bodem van een zwart gat kun je niet alleen niets meer veranderen, je hoeft het ook niet. Erger kan toch niet. Je kunt stil zitten en niets doen. “Ik geloof juist erg in verandering,” zegt David. Hij trekt de dekens verder op. “Ik geloof in het goede in mensen, dat je jezelf en de wereld kunt veranderen.” Hij strekt een arm voor zich uit de lucht in, stokt, en zegt: “Ik hallucineer. Iemand reikte me bier aan.” Zijn oogleden vallen neer, hoofd schuin tegen het beige behang. “Ik hallucineer veel. Nu droom ik.” Hij snurkt. Spuiten is als pissen in een wetsuit, heb ik gehoord. Weinig is zo geschikt om de ongemakkelijke kloof tussen ideaalbeeld en realiteit voor korte of langere tijd op te vullen, volgens Linda Yablonski. “Het geeft je het gevoel dat alles is zoals het moet zijn, warm, fijn en veilig.” En het schept een band met andere gebruikers. Een exclusief clubje, zegt Yablonski. “De gevaren zijn bekend. Wie durft?” Spill the sea, zingt Freel in 'Tired', en een golf gitaar schrijnt door de loods: take it too far take it too far Hij ligt op zijn rug, gezicht half onder een kussen. Het bovenlichaam in het grauwe t-shirt beweegt nauwelijks. Ik trek mijn jas aan en leun op de rand van het bed. Hij schrikt overeind. Even later staat hij op en loopt naar het raam, laat het gordijn weer dicht vallen, gaat zitten in de beige stoel, de spullen nog voor zich op tafel. “Kom hier”, zegt hij. Ik ga tegenover hem aan tafel zitten. “Nee, hier.” Hij trekt de stoel dichterbij. “Shoot up with me. “Alsjeblieft. Kom op. Laat me een naald in je steken.”

“De meeste junks worden in bed geboren,” zegt Yablonski. “Het is een select clubje, maar ze proberen er altijd anderen bij te betrekken. Geliefden het eerst. Het is heerlijk om samen high te zijn. En helemaal om elkaar in te spuiten. Je laat je geliefde letterlijk onder je huid kruipen, en je pijn en genot tegelijk geven.” Stilte. “Zo ben ik ook begonnen, zegt Freel. “Tot we elkaar alleen nog maar high konden verdragen.” “It's corny as shit,” zegt Yablonski, “maar smack is een substituut voor liefde. Ik leg het Freel voor. Hij grijnst. Zo simpel is het niet. “Ik ben gewoon overgevoelig. I take things too far. Als kind voelde ik me al schuldig. Dat alles voor anderen zoveel moeilijker was. Dat ze het niet begrepen. Dat niets echt uitmaakt. Dat je niet bang hoeft te zijn voor de dood.”

“Wat ik ga doen?” zegt hij en smeert een donkere bel uit met een prop watten. “Niets. Hier blijven, dit spul opmaken. Dit is mijn eerste vrije dag in weken. Dit ging ik doen. Tv kijken, high worden.”

Het liefdesalbum 41 bevat openlijke drugsverwijzingen: tie off, our saviour to be sure. Op Too Many Days, het laatste, ontbreken ze. Maar 'What I Always Wanted' toont een soortgelijk Nirvana. Freel tokkelt nerveus tussen twee snaren, de drums roffelend: now i'm failing to come down.. Dan breekt de zucht van een orgel de nauwte in een vergezicht, en het liedje droomt subliem weg. i've always been in the lake and now i sit ashore/ i notice the time the place the blues the hues the score. Steeds meer versmelten de laatste woorden van de regels met een gedempt koor: the gift that i'm choosing is the gift for change this time..it's ok ok ok tot alleen het orgel over is, en een gefluisterd i sleep/ i sleep/ sleep.

Het is een kleine steek, even schel, dan zeurderig. Onderhuids breekt een ader in een felrode stip, een paarse vlek die, dagen later, aan de omtrekken vervaagt in een vaal blauwgroene regenboog. De plek intrigeert, net als Freel's obsessie en Goldin's foto's. Junkie-romantiek?

Gekneusde lichamen stonden model dit jaar. Werkelijkheid in plaats van synthetische glamour. Het werd een flirt met een nog veel verraderlijker soort werkelijkheid, de schitterende, sexy dagdroom van heroïne. De naald van een platenspeler spreekt met jouw stem, die van de slaaploze droom zingt een lullaby. De onnatuurlijke schittering van Freels gitaar, het fluweel van de stem, ze tonen splendid isolation, een wereld waarin alles beter is. Taking shit too far.