Gezegend gezeur

Eriek Verpale: Gitta. De Arbeiderspers, 152 blz. ƒ 29,90.

'Hoeveel is er in dit versjwartsjte leven al niet aan mij voorbijgegaan?', klaagt de hoofdpersoon van Gitta, van Eriek Verpale, tegen het eind van de roman. Deze klacht is ook een aanklacht tegen de benepen normen waaraan hij zich als burger te houden heeft. Die houden in dat men wel geacht wordt mee te praten over de prijzen van huizen en bouwgrond, maar niet dat men als volwassen man een meisje van veertien begeert. Zelf weigert hij iets zondigs te zien in zijn liefde voor zijn nichtje Gitta, al moet hij uiteindelijk erkennen dat deze liefde onmogelijk is. Op de eerste bladzijde van de roman spreekt hij liefdevol het portretje van Gitta toe, dat hij op de laatste bladzijde met bloedend hart in een stationsrestauratie achterlaat. Dat is in een notendop het verhaal dat Verpale vertelt.

De hoofdpersoon heet Eriek, net als in Alles in het klein (1990) en Olivetti 82 (1993). Geen van deze drie romans is klassiek te noemen. Door hun dagboekachtige en epistolaire karakter lijkt als genre-aanduiding eerder het woord autobiografie van toepassing, al zegt ook zo'n etiket niet zoveel bij een wispelturige schrijver als Verpale.

Gitta staat in het teken van de wederoproeping. Dat is het Vlaamse woord voor de herhalingsoefening waarvoor soldaten na de vervulling van hun gewone dienstplicht worden opgeroepen. Eriek moet zich melden bij kazerne Leopoldsburg. Bij stukken en beetjes doet Verpale verslag van deze hernieuwde, drie weken durende dienstplicht. In meer algemene of symbolische zin wordt in dit boek ook veel wederopgeroepen, dat wil zeggen in herinnering gebracht. Verpale is een ware herinneringskunstenaar die onvermoeibaar graaft in zijn verleden en daarin ook de zin van het schrijven ziet. 'Ik kan niet blíjven leven', zegt zijn alter ego ergens, 'met de gedachte dat dit ooit allemaal verloren zal gaan, en als er één gegronde reden is waarom ik schrijf, en waarom ik móét schrijven, dan is het omdat iemand anders ná mij het moet onthouden.'

Er is ontegenzeggelijk iets irritants aan het werk van Verpale en dat moet wel te maken hebben met de beperktheid ervan: de soms bijna kokette gerichtheid op de eigen belevenissen, de eigen vrienden, de eigen ingewanden, de eigen ietwat mysterieuze joodse afkomst, het eigen leed, het zelfbeklag, de alles overstelpende melancholie waarin zijn leven gedrenkt is. Hier is iemand aan het woord die nooit jong is geweest, hoeveel waarde hij ook lijkt te hechten aan juist de jeugd. In Gitta draait het om de ware, romantische liefde voor een jong, bijna nog contourloos meisje. Zij is onaantastbaar boven iedere aardse maatstaf verheven. De wettige echtgenote van Eriek, die de gewone dagelijkse huwelijkssleur vertegenwoordigt, hoewel ook pas 25, komt er daarentegen bekaaid af en krijgt niet eens een naam. Pas aan het eind wordt haar een initiaal ('C.') verleend.

In een van de brieven die in de roman zijn opgenomen, gericht aan zekere Merel en geschreven vanuit Bologna waar Verpale in 1992 een dichtersfestival bijwoonde, meldt hij dat hij wel eens in Pavese probeert te lezen als hij 's nachts niet kan slapen. Dat valt hem niet mee. 'Een zeurpiet, laat maar zitten.' Onbedoeld humoristisch, deze veroordeling, want wat hijzelf verder ook zijn mag, tot de zeurpieten kan hij zeker gerekend worden. Maar hij brengt wel het soort gezeur voort waar een zegen op rust, een stilistische zegen vooral. Gitta is doortrokken van een levensgevoel dat aan Reve herinnert en dat nu eens de melige, dan weer de doodernstige kant opgaat. Ook andere literaire invloeden zijn zichtbaar, van Brusselmans tot Boon en daar ergens tussenin Jeroen Brouwers. Maar vooral Reve moet een inspiratiebron voor Verpale zijn geweest, zoals af te lezen valt aan woorden en zinnetjes als 'af & toe', 'het weder', 'je maakt wat mede in het leven' en 'Alles voor Vorst & Vaderland, God & de Tsaar'. Hinderlijk Reviaans wordt het verhaal overigens nergens, door de Vlaamse toonzetting ervan met veel 'wablieft' en 'allez', met stemmige plaatsnamen als Smeerhebbe-Vloerzegem en met uitdrukkingen van dit type: 'die vrouwen vervelen zich de pluimen uit de kont'.

Erg goed, en erg geestig ook vaak, zijn Verpale's dialogen, die in al hun beknoptheid een wereld van ongemak, onbegrip, ontgoocheling, weemoed en verlangen weten op te roepen. Zo herinnert zich een vroegere klasgenoot van Eriek dat hij, Eriek dus, altijd opstellen schreef voor anderen en ook wel eens een sonnet. 'Een sonnet à la, tsjonge, hoe heette die zuipschuit ook alweer?' 'Kloos', zei ik. 'Ik neem aan dat je Kloos bedoelt.' 'Wie zeg je?' 'Klóós!'

De mooiste episode uit het boek is de beschrijving van de mistroostige en volstrekt nutteloze herhalingsoefening in het Duitse Kellerwald. Achter de stoere woorden over 'schone wijvekes' die de reservisten tot elkaar richten gaat veel onvervulde erotiek schuil. Op den duur willen de gestaag vervuilende en verkleumende manschappen nog maar één ding: naar huis, ook al weten ze dat ze daar, bij moeder de vrouw, hun heil ook niet zullen vinden. Het overheersende gevoel in Gitta is dat het leven te kort schiet, al lijkt het van de buitenkant soms nog heel wat. Een van de soldaten wekt met de foto van zijn aantrekkelijk ogende vrouw de jaloezie van de andere mannen op. Zelf is hij minder zeker van zijn zaak en hij vertolkt waarschijnlijk een algemenere vrees wanneer hij verzucht: 'Pas op (...), overal begint haar op te groeien mettertijd.'