Europa in weinig woorden

Jan Kerkhofs: De Europeanen en hun waarden, wat wij denken en voelen. Davidsfonds/Leuven, 157 blz. ƒ 39,90

Jan Kerkhofs was in de jaren zeventig en tachtig in Vlaanderen een controversiële figuur, althans in katholieke milieus. Kerkhofs is jezuïet én socioloog, tot voor enkele jaren hoogleraar te Leuven en nu met emeritaat. Verantwoordelijkheid dragen binnen de kerk en als doctor in de menswetenschappen de waardevrijheid dienen, het is geen eenvoudige combinatie.

In zijn academisch onderzoek heeft Kerkhofs zich toegelegd op wat er in onze cultuur leeft aan waarden en opvattingen. Hij beperkte zich dan tot het constateren van de realiteit, van de voortschrijdende secularisatie, betreurde niets, deed geen poging de resultaten van zijn enquêtes op de meest gunstige manier te interpreteren, wees niet andermaal op de juiste moraal. Het maakte, in een periode waarin gelovigen zo al met pijn moesten wennen aan de pluralistische maatschappij, zijn studies extra genadeloos.

Kerkhofs' faam leed er niet onder. Hij raakte betrokken in een project van de internationale Stichting European Values Study. Degelijk sociologisch onderzoek is duur, de verwerking ervan verloopt traag. Sinds haar ontstaan heeft de stichting twee enquêtes gehouden, in 1981 en 1990. De peilingen werden uitgevoerd in bijna alle landen van Europa.

Enkele resultaten van dat laatste onderzoek heeft Kerkhofs nu gepubliceerd in De Europeanen en hun waarden, niet meer dan 150 bladzijden analyse van grafieken. De socioloog is een man van weinig woorden. Geen verklaring, geen prognose over een toekomstige ontwikkeling overschrijdt de lengte van een middellange zin. Alles gedistantieerd.

En toch, met even weinig woorden wil de auteur iets kwijt over wat hem drijft: een 'dat nooit meer'-gevoel als knaap bij de aanblik van een deportatietrein in 1942 op weg naar Duitsland, en de hoop die hij stelt in een verenigd Europa als vredesgarant. Kerkhofs gelooft ook in een aparte taak voor Europa in de wereld als het oord van het kritisch humanisme. Maar wat is Europa, wat ís het verschil met bij voorbeeld Noord-Amerika? Bestaat er een Europese identiteit en aan welke evolutie is die onderhevig? Dat zijn de vragen die hem geboeid hebben.

De hedendaagse westerling, stelt hij vast, streeft voor alles naar het eigen geluk. En het gezin heeft meer dan wat ook in dat geluksproject een plaats. De Europeaan wil er meer tijd voor vrijmaken dan zijn beroep toelaat, verlangt 2,5 kind (droom die hij nergens in Europa in staat is te realiseren), wil dat verdraagzaamheid en goede manieren bijbrengen, en is bereid om zorg te dragen voor zijn ouders op hun oude dag.

De Europeaan schraagt zijn ethiek niet meer met principes. Hij geeft niet graag een algemeen oordeel over de toelaatbaarheid van een daad. De situatie bepaalt zijn standpunt. Ethische flexibiliteit noemt Kerkhofs dat. Is de Europeaan dan wijs en begrijpend geworden of is hij ethisch het noorden kwijt, ontbreekt hem elk houvast en wil hij zich vooral met niets te veel bemoeien?

In elk geval, alleen visueel waarneembare ordeverstoring keurt hij ondubbelzinnig af. Joyriding en druggebruik duldt hij minder dan belastingontduiking en andere inbreuken op de sociale ethiek. Samengevat, na het verdwijnen van de ideologieën is slechts de gevoeligheid gebleven voor het mijn en het dijn en voor de vermeende publieke opinie, de media-ethiek die zich grotendeels beperkt tot regels voor het voorkomen van kwalijke ziektes en verkeersongevallen. Is dat het Europa waarin Kerkhofs zijn hoop stelt?

Eigenlijk bevestigt zijn studie wat cultuurfilosofen allang te vertellen hebben over de huidige generatie. Maar die beschrijvingen waren niet wetenschappelijk. Nu is een en ander statistisch bevestigd.

En daarin ligt ook het fascinerende van zulke enquêtes. Het in cijfers uitdrukken van het in feite ongrijpbare. Kerkhofs zocht ongetwijfeld naar de gemeenschappelijke noemer, maar als sociologische statistieken onderhoudend zijn, dan omdat zij appeleren aan het groepsgevoel, aan de behoefte om zijn eigen groepje te vergelijken met andere, de West-Europeanen met de Zuid-Europeanen, of de Nederlanders met de Belgen of de Fransen.

Het boek richt zich vooral tot Belgische lezers, maar we leren er allemaal wat uit. Minder dan andere West-Europeanen lijken Nederlanders uit te zien naar veranderingen in het bestaande economische systeem. Al in 1990 waren zij blijkbaar overtuigd dat het Nederlandse model het beste is van alle haalbare. Op een of andere manier daarbij aansluitend staan Nederlanders minder positief dan hun buren tegenover buitenshuis werkende moeders. Over het algemeen echter sluit Nederland inzake waarden heel nauw aan bij Noord-Europa.

Over de Belgen leren we dat er wel degelijk culturele verschillen zijn tussen Vlamingen en Walen. Laatstgenoemden vertonen wat meer Latijnse trekken. Zestig procent van hen gelooft dat vrouwen om echt gelukkig te zijn moeder moeten worden. Maar evengoed bestaat er zoiets als een Belgische mentaliteit.

Ook Vlamingen en Nederlanders vertonen overeenkomsten. Zij staan in Europa samen aan de top inzake inzet voor vrijwilligerswerk of delen dezelfde mening over de motieven die abortus al dan niet toelaatbaar maken. Maar Nederlanders zouden opvallend meer bezig zijn met de positieve of de negatieve stemming waarin ze verkeren en positiever staan tegenover radicale veranderingen in hun leven.

Amusant zijn al die gegevens wel, maar zijn ze ook waarheidsgetrouw? Als de vermeende publieke opinie ons richtsnoer is, is ze dat ook bij het antwoorden op een enquête. In dat geval presenteren de resultaten niet zozeer de Vlaming of de Europeaan zelf, als wel het beeld dat hij heeft van de mensen in zijn omgeving.