Duimen en pruimen, katten en latten; Nieuwe vertalingen van Rabelais

François Rabelais: Pantagruel. Het derde en vierde boek. Vertaald uit het Frans en ingeleid door J.M. Vermeer-Pardoen.

Van Gennep, 520 blz. ƒ 89,- (geb.)

Wat hebben Alice, Quichot, Gulliver en Gargantua gemeen?

Dat zij de hoofdpersonen zijn van over de hele wereld bekende boeken die geschreven werden door mannen die hun geld verdienden in de christelijke kerk? Nee, ik geloof niet dat Cervantes een kerkelijk baantje had, zoals Carroll, Swift en Rabelais dat hadden.

Dat in hun avonturen reuzen voorkomen en wrede gevechten? Dat we er al eeuwen hard om schateren? Dat zelfs de bijfiguren als Humpty Dumpty, Sancho Panza, Lilliputters en Pantagruel in alle talen ter wereld voortleven? Dat ze kinderboeken, tekenfilms, musicals, stripverhalen en t-shirts zijn geworden?

Dat is allemaal waar, maar waar het mij nu om gaat is het wonderlijke verschijnsel dat hoewel ieder beschaafd mens de eerste helft van de avonturen van het meisje Alice, van de ridder Quichot, van de zeekapitein Gulliver en van de reusachtige koning Gargantua kent of zegt te kennen, de tweede helft van hun avonturen veel minder bekend is, veel later of niet vertaald wordt, en niet in de populaire volkse folklore voortleeft.

Waarom is dat? Hoe is te verklaren dat als je van het eerste boek van een schrijver hebt genoten, je het vervolg niet gaat lezen? Zouden die vervolgdelen minder goed zijn? Ik vind de avonturen van Alice achter de spiegel spannender dan die in Wonderland, de avonturen van Quichot wanneer hij als bekende literaire hoofdpersoon door Spanje trekt, intrigerender dan toen hij nog maar een gek was, de avonturen van Gulliver op Laputa en bij de Yahoos hilarischer dan toen hij op Lilliput aanspoelde, en ik vind wat Pantagruel en Panurge in de delen Drie en Vier van François Rabelais beleven, diepzinniger en bevredigender dan de lollige avonturen uit de boeken Een en Twee.

In 1996 verscheen van de eerste twee delen van Pantagruel een nieuwe Nederlandse vertaling van J.M. Vermeer-Pardoen. Ik was daar heel blij mee, maar hield mijn hart vast: zouden de overige delen nog wel aan de beurt komen? Rabelais is ze ook pas gaan schrijven toen zijn eerste boeken succes hadden. Zou Van Gennep eveneens afwachten hoe de verkoop van de eerste helft zou gaan? Zou de vertaalster het opbrengen nog eens jaren over het lastige oud-Frans gebogen te zitten?

Cannabis Sativa

Gelukkig: zij heeft nu het derde en vierde deel af, en over de vertaling kunnen we net zo enthousiast zijn als over de vertaling van de boeken Een en Twee. Rabelais gebruikt meer woorden dan er in de zestiende eeuw waren. Zijn duim is zijn woordenboek. Natuurlijk is er door Fransen en Angelsaksen veel over die woorden geschreven, maar wie die overvloed aan woorden in het Nederlands gaat overzetten moet een aan Rabelais grenzende genialiteit bezitten. Ja, meer zelfs; waar Rabelais zijn beroemde rijtjes van lulletjes en narren en beesten kon beëindigen als hij geen nieuwe meer kon verzinnen, daar moet de vertaler er evenveel zien te vinden. En het gaat niet alleen om rijtjes. Ik heb geprobeerd bij te houden welke aanduidingen voor het manlijk orgaan gebruikt worden.

Fluit, Jan zonder handjes, de heilige Ithyphallus, holle pees, lat, leuter, levenwekkende pin, gespierd sponzig lid, jongeheer, mentula, paal, schroef, sjniggel, slinger, slamassel, steel, stoffer, stramme tuingod, stijselaar en dan heb ik ze nog niet allemaal gehad.

Het zijn zeldzame, maar bestaande, woorden zoals die van Rabelais waarschijnlijk ook waren. Maar wat te doen als Panurge tegen een koopman, die over zijn vrouw opschept, zegt: “Wat als ik jouw vrouw eens had sacsacbezevezinemassé...?” Gallitalo vertaalde dit verzonnen vermenigvuldigend deelwoord in 1682 met 'gehillebillebombambeyert'. Vermeer-Pardoen vertaalt: 'gerampetampedoedeldiedeind'. Vooral de zeer lange woorden waarmee Rabelais het in elkaar tremmen van personen aanduidt, is een ware vertalersproef.

Moet u uit de vorige alinea afleiden dat de delen Drie en Vier gaan over boertig neuken en jolig vechten? Dat mag u rustig doen. Maar er is veel meer aan de hand. Zoals dat ook bij Carroll, Swift en Cervantes het geval is, zijn er duizenden toespelingen op actuele gebeurtenissen en personen. Die kunnen wij alleen uit de noten begrijpen en net zo goed overslaan. Maar er worden ook kwesties aangesneden die nog steeds van belang zijn. Dat zijn in deze delen bijvoorbeeld: waarom zou je trouwen? Aan wie vraag je raad? Wat weten dokters, rechters, theologen en geleerden? Zijn de woorden bij toevallige afspraak zoals ze zijn? Wat is Cannabis Sativa? Kun je er je beroep van maken je te laten mishandelen? Hoe bestaat een samenleving van louter dieven? Hoe tolerant moet je zijn tegenover culturen met idiote gewoonten? Hoe krijg je een postduif hard aan het vliegen? Bestaat God? Wat betekenen dromen? Moet je je schamen voor je angst?

Al die belangrijke vraagstukken worden zo behandeld, dat je er ook alleen om kunt lachen. Nooit weet je zeker wat de schrijver precies wil overbrengen. Hij wil ook niet een bepaalde overtuiging overbrengen. Hij wil je laten nadenken. Hij wil je laten lachen om de overtuigingen van anderen.

In geen eeuw is er in Europa zo onbedaarlijk, uitbundig, virtuoos en fantasievol tegen de menselijke zotheid geschreven als in de zestiende. Wat een taalvirtuozen kwamen er in die eeuw ineens uit de plaatsjes Rotterdam, Eisleben, Chinon, Alcala en Stratford opzetten. Erasmus en Luther (nog twee geestelijken!), Rabelais, Cervantes en Shakespeare hebben het Latijn, Duits, Frans, Spaans en Engels naar hoogtes gevoerd waar ze nog eeuwen op konden teren.

Net als Erasmus wijst Rabelais de menselijke zotheid niet aan bij de gewone mensen maar juist bij de mensen met pretenties: de artsen, de juristen, de wetenschappers. Wij kunnen daar om lachen maar wij beseffen tegelijkertijd: het is vandaag niets beter.

Behalve een Nederlandse vertaling hoort bij zo'n boek ook een bescheiden uitleg. Er is niets tegen om daarvoor gebruik te maken van de commentaren van Franse editeuren. De vertaalster zegt dat zij de editie van Lefranc heeft gebruikt. Die is niet volledig en zij zegt dat ze voor de rest een Pléiade-uitgave van Jacques Boulanger uit 1934 heeft gebruikt. Die heb ik niet kunnen vinden. Ik verzeker u dat het aantal Boulangers in de Nationale Bibliotheek in Parijs nog groter is dan het aantal taartjes in een Franse banketbakkerij. Wel vond ik een Pléiade-uitgave van J. Boulenger, met een e en geen a, verbeterd door Scheler, uit 1953. Maar die is al lang vervangen door een totaal nieuwe Pléiade-editie van Mireille Huchon uit 1994, die natuurlijk de noten van Lefranc ook heeft geraadpleegd. Waarom zou een Nederlandse vertaling zich niet op die prachtige, laatste uitgave baseren in plaats van op een editie van zestig jaar daarvoor?

Sappig en zoet

Bij de aantekeningen heb ik ook wat aan te tekenen, ook al zal Wouter van Oorschot dit wel weer 'typische zuurpruimerij van de Nederlandse critici' vinden. Hij zei onlangs tegen Vrij Nederland: “Er kan geen lovend stuk verschijnen of in de laatste alinea delen de dames en heren nog een kat uit. Je mag vooral niet positief zijn, anders wordt het reclame voor de uitgeverij.” Wie vertelt Wouter dat het de taak van de uitgever is om reclame te maken en om mooie boeken uit te geven, en dat critici de taak hebben die boeken te beoordelen? Wij zijn geen zuurpruimers, maar als een pruim zuur is, dan liegen we niet dat hij zoet is. Rob van Gennep zou zoiets stoms nooit gezegd hebben.

De pruim die de uitgeverij Van Gennep met deze vervolgvertaling levert, is rijk en sappig en zoet. Maar ik vind het jammer - hier komt de kat - dat de Griekse zinnetjes, die alleen maar als plaatjes overgenomen hoefden te worden, altijd fouten bevatten, dat het Haagse Post-latijn in bonus in plaats van in bonis te lezen valt, en zo heb ik nog wel een mandje zure katjes.

Bij de noten, het zijn er twee en een halve per pagina, vind ik het toevallig leuk dat Quinquenais een dorpje bij Chinon is, want daar picknickte ik net, maar wat moet de lezer met zulke informatie? Zijn disjunctieve zinnen werkelijk 'zinnen die uit tegenstellingen bestaan'? Braaf wordt de noot overgenomen dat Rabelais de middeleeuwse geneeskunde volgt, maar inmiddels is duidelijk geworden dat hij juist moderne inzichten over het hart geeft - hij studeerde behalve theologie ook medicijnen. Na het boek dat M.A. Screech in 1979 over Rabelais schreef, kunnen de oude opvattingen van Franse editeuren niet meer klakkeloos gevolgd worden.

Mireille Huchon, aan wie ik veel wijsheid ontleen, heeft ook aannemelijk gemaakt dat het verdachte Vijfde Boek, dat door velen als apocrief werd beschouwd, weliswaar niet door Rabelais als boek is geschreven (het verscheen na zijn dood), maar dat hij er wel hoofdstukken voor heeft geschreven. Dat deel moet dus ook vertaald. Als dat gebeurd is, en als er een kenner naar de noten heeft gekeken, dan is eindelijk de volledige Rabelais in waardige vorm voor Nederlanders beschikbaar. Maar nu al kan iedereen genieten van het uitbundige Nederlands van deze vertaling. De Paus en Luther en Calvijn kunnen er weer van lusten.