Derde dichtbundel van Paul Gellings; Verwonderde weemoed

Paul Gellings: Antiek fluweel. De Arbeiderspers, 59 blz. ƒ 29,90

De tweede bundel van Paul Gellings, De val van verf en roest (1993), eindigde met een gedicht over een hek. Een kleurenfoto op het omslag toonde de 'ijzeren spijlen met verlies van roest over hun drempel van steen'. Het was het hek van een begraafplaats, en in Gellings' nieuwe dichtbundel Antiek fluweel blijkt nu dat het om het Amsterdamse Zorgvlied ging. Als kind woonde de dichter in de buurt van deze dodenakker:

Kon toen de slaap nooit vatten in de zomer. Te veel licht. Te veel muziek beneden in de tuinen.

Van wat daarachter lag te rusten voornamelijk vermoeden, vertaald in ijzeren ledikantjes met bemoste lakens. Altijd koel.

Nu is het donker, hoor je alleen het dwarrelen van blad - en toch de slaap niet kunnen vatten?

Wat moet het heerlijk zijn je na de val van verf en roest één keer nog in te laten stoppen!

Je nog eens om te draaien en dan de allerzwartste Amstel over.

Het verweringsproces van een hek is hier tot metafoor van het sterven verheven. De titel van de tweede bundel klinkt in Gellings' derde als een echo van de tand des tijds. Maar in weerwil van de traditie lijdt dit vers niet aan het spleen. Hooguit zeurt tussen de regels door een lichte, verwonderde weemoed.

Die toon bepaalt ook de andere verzen in Antiek fluweel. En het thema is al even constant. Hoe lichtvoetig soms ook, steeds weer brengt Gellings zijn verbazing over de kringloop van leven en jaargetijden onder woorden. 'Het is niet te geloven,' opent zijn gedicht over een populier, 'hoe in deze dagen - / soms berijmd, soms ook door zwarte miezer / aangevreten - hoe nu alweer beklonken is, dat / alles straks zal deinen in een groene oceaan.' Dat is hoopvol, maar de slotregels zijn minder optimistisch, want - stellen die - het oog van deze populier waakt 'Over kamers, achter. Daar / waar ziekte en geboorte onafgebroken / woekerden met bloed en slijm, en nog.'

De flaptekst omschrijft Antiek fluweel als een reisverhaal waarin de weg van Bourgondië naar Amsterdam kronkelt en daarna weer zuidwaarts. Een blik op de inhoudsopgave bevestigt deze typering, maar wie de gedichten leest kan niet anders dan concluderen dat Gellings' poëtische reis zich meer in tijd dan in ruimte voltrekt. Ook waar de titel een geografische plaats aangeeft, gaat het gedicht immers steeds weer over herinnering en verwachting. En die zijn méér dan aan een plek aan een moment gebonden. Aan een ogenblik in het jaar, of een leven.

Een karakteristiek gedicht is 'Namiddag'. Paul Gellings beschrijft daarin de middagstilte in een huis - die geen stilte is, want 'zelfs wanneer je niets denkt / te horen, tikt de klok, neuriet de ruimte.' In die magische middaguren ligt een kind landerig op het tapijt:

Ligt daar een drol in te houden, een droom in te houden, de nacht uit te stellen, de avond waarin

het huis ten slotte leeg is en even onbegrijpelijk stil als een hart dat is gestopt.

Het is de tijd die de seizoenen en het leven op gang houdt, maar ten slotte ook tot stolling brengt en vervaagt. Gellings brengt dat proces indrukwekkend in beeld. Emblematisch soms, zoals in het beeld van het karkas dat in 'Kraai' met één poot in een boom is blijven hangen: 'leeggeblazen door het najaar, / daarna door natte sneeuw gewassen, / parapluutje zonder ziel.'

Straks boven in een groene waaier wordt klauw door knop verdrongen. Zal hij hier vallen in de nacht en door tijd al worden weggespoeld. Voor de eerste lenteregen nog.

Na herlezing van Gellings' vorige bundels, De val van verf en roest en Het oog van de egel (1990), valt op hoe consistent zijn oeuvre nu al is. Zijn beelden zijn zo mogelijk nog transparanter dan in zijn debuut, de vormbeheersing is gegroeid, de taal tot in finesses beheerst. Maar wat niet veranderde is de thematiek, en evenmin het kader waarin die thematiek is verwoord. Ook in Het oog van de egel waren al dikwijls gedichten aan een geografische plek of een bepaalde tijd van het jaar gewijd. Wat de maanden betreft kwamen januari en augustus al in dit debuut aan bod. De val van verf en roest beperkte zich tot februari, maar in Antiek fluweel worden vijf andere maanden bezongen, zodat de kalender haast rond is.

Ooit deed K.L. Poll in deze krant een driftige uitval naar wat hij brandmerkte als 'kalenderpoëzie'. Ik maak me sterk dat ook hij voor Gellings een uitzondering had gemaakt. In Antiek fluweel zijn de titels meer dan etiketten. Wanneer Paul Gellings over september schrijft, treft hij de plooi 'Waar weemoed het getouw bewoog'. En die weemoed klinkt door in het lichte parlando van elk van zijn verzen.