De ploert is een ander

Patrícia Melo: De killer. Uit het Portugees vertaald door Piet Janssen. Wereldbibliotheek, 222 blz. ƒ 32,50

'Michael' wordt in Brazilië geschreven als Máiquel: precies zoals je zo'n uit de VS overgewaaide naam uitspreekt. Máiquel is de hoofdpersoon van de debuutroman van de Braziliaanse schrijfster Patrícia Melo: een jong talent, zij het met haar vijfendertig jaar niet meer helemaal piepjong. Twee jaar geleden verscheen De killer, met Máiquel in de hoofdrol. Het is een gangsterverhaal naar Braziliaanse snit, waarvan ook de titel in de Nederlandse vertaling terecht een Amerikaanse klank kreeg. De hardboiled literatuur van Noord-Amerika stond er model voor, maar dan wel Braziliaans verhaspeld, zoals de VS in Zuid-Amerika nu eenmaal overal doorheen schemeren en het resultaat daarvan tegelijk een volstrekte metamorfose is. Een meester in deze literaire mengvormen is de schrijver Rubem Fonseca, van wie al een paar thrillers in het Nederlands zijn vertaald en die Pátricia Melo merkbaar heeft beïnvloed.

Melo, die eerder al oefende met filmscripts en een verhalenbundel, weet Máiquels geschiedenis goed te vertellen. Ze schrijft in korte, rauwe en concrete zinnen, die direct uit de mond vloeien van het gangstertje Máiquel. Pas gaandeweg komen er in zijn ongeschoolde hoofd doordenkertjes op, wanneer hij beseft dat de wereld niet altijd is zoals ze zich voordoet en primaire reacties niet steeds lonend zijn. Dan ziet hij hoe hij gemanipuleerd is door het welgestelde deel van S Paulo, waar hij met grof geweld hun veiligheid handhaaft onder de doorzichtige denkmantel van een bewakingsdienst. Hun steun, glimlach en schouderklopjes betekenen niets wanneer hij zich eenmaal werkelijk in de nesten gewerkt heeft. En dan gaat hij door het lint, waarschijnlijk - maar Melo laat het einde open - een wisse dood tegemoet.

Het knappe van Melo's roman is dat Máiquel nergens een werkelijke schoft wordt, ook al doet hij alles wat God verboden heeft, tot aan de moord op zijn eigen vrouw toe, terwille van een minnares die hem beter bevalt. Dat is zijn gezichtspunt, want van daaruit wordt het verhaal verteld, en voor zichzelf is hij geen ploert. De ploerten zijn de anderen: de rijken die hem inhuren, tot bendeleider maken en vervolgens laten vallen als een baksteen. Zij hebben altijd bijgedachten, hij niet.

Maar juist dat maakt hem op een bepaalde manier sympathiek, al is het datzelfde gebrek aan bijgedachten dat hem ook voor elke scrupule immuun maakt. Zijn directheid is zijn kracht, want daardoor kan hij doen wat hij doet en er zelfs nog aantrekkelijk onder blijven. Maar ze wordt uiteindelijk ook zijn zwakheid, want met een beetje meer nadenken had hij de ware gedachten van zijn opdrachtgevers wel doorzien.

Melo suggereert dat alles zonder het uitdrukkelijk te zeggen; we moeten het indirect uit Máiquels eigen relaas aflezen. Daarbij moet ze woekeren met weinig middelen, want zijn uitdrukkingsvermogen is beperkt en zijn doorzicht zo mogelijk nog meer. Dat zij binnen die grenzen, die ze in het boek nergens overschrijdt, toch zo'n suggestief en, ondanks alle schijn van het tegendeel, subtiel verhaal heeft kunnen schrijven, verraadt een groot talent, dat terecht enige tijd heeft genomen om rustig te rijpen.