De krimpende kloof tussen blank en zwart in Amerika; Opstand tegen het fatalisme

LeAlan Jones en Lloyd Newman, met David Isay: Our America; Life and Death on the South Side of Chicago. Scribner, 203 blz. ƒ 59,55

Nathan McCall: What's going on; Personal Essays. Random House, 217 blz. ƒ 54,40

Orlando Patterson: The Ordeal of Integration; Progress and Resentment in America's 'Racial' Crisis. Civitas/Counterpoint, 233 blz. ƒ 63,45

David K. Shipler: A Country of Strangers; Blacks and Whites in America. Alfred A. Knopf, 607 blz. ƒ 73,50

Jim Sleeper: Liberal Racism. Viking, 195 blz. ƒ 56,85

De verwarring is zo groot, dat veel Amerikanen maar liever hun mond houden als het gaat over de verhoudingen tussen blank en zwart. Ze zijn bitter, bang of moedeloos, geïrriteerd of niet begrijpend. Het lijkt wel of het land meer dan ooit worstelt met wat vroeger 'het rassenvraagstuk' werd genoemd. Want de open zenuw van de Amerikaanse geschiedenis is dertig jaar na de moord op Martin Luther King nog altijd razend gevoelig. De meningsverschillen over de aanpak van het probleem worden steeds scherper. En de hoop op een oplossing vervliegt.

Maar tegen dit overheersende crisisgevoel, dat bestaat bij links en rechts, bij zwart en blank, is de afgelopen jaren een uitgesproken reactie op gang gekomen. Het is een opstand tegen het fatalisme, tegen de sombere analyses en tegen de overtuiging dat Amerika uiteenvalt in 'twee samenlevingen, één zwart, één blank, gescheiden en ongelijk' - het schrikbeeld waar het fameuze Kerner-rapport voor waarschuwde na de rassenrellen in de jaren zestig.

Twee vertegenwoordigers van deze optimistische school zijn Stephan en Abigail Thernstrom - hij is historicus aan Harvard, zij is als politicoloog verbonden aan de denktank Manhattan Institute. In hun grondige studie America in Black and White; One Nation, Indivisible laten ze zien hoeveel Amerika is veranderd sinds de donkere dagen van de rassenscheiding. 'We zien de tekenen van vooruitgang overal om ons heen', schrijven ze.

En inderdaad valt moeilijk te ontkennen dat de afgelopen halve eeuw veel vooruitgang is geboekt. Niet alleen is openlijke discriminatie taboe en zijn de rassenwetten die zwarte Amerikanen tot tweederangs burgers veroordeelden afgeschaft. In een ongelooflijk tempo hebben Afro-Amerikanen een groot deel van hun maatschappelijke en economische achterstand ingelopen.

De zwarte middenklasse is spectaculair gegroeid. De blanke alleenheerschappij in de politiek en het maatschappelijk leven is doorbroken. En zwarte kunstenaars drukken een belangrijk stempel op vrijwel alle aspecten van de Amerikaanse cultuur. Gemiddeld hebben zwarte Amerikanen het beter dan ooit eerder in de geschiedenis. En ook de betrekkingen tussen blank en zwart zijn nooit zo goed, en nooit zo talrijk geweest als nu. Het leger, ooit een bastion van segregatie, geldt tegenwoordig als een model voor de betrekkingen tussen de rassen. Ook al is het niet zonder problemen, het leger is een van de zeldzame plaatsen in Amerika waar blanken routinematig aan zwarte superieuren moeten gehoorzamen.

Nog steeds bestaat er een onacceptabele ongelijkheid tussen blank en zwart, erkent het echtpaar Thernstrom, de kloof is niet gedicht. Maar wie de vooruitgang die geboekt is ontkent of negeert, werkt een gevaarlijke onverschilligheid in de hand. En dat niet alleen: die uitzichtloze visie leidt ook tot overdreven conclusies over het belang van huidskleur in het huidige Amerika. Het raciale klimaat kan daardoor alleen maar slechter worden.

De Thernstroms bestrijden niet alleen de negatieve kijk op de verhouding tussen de rassen in de Amerikaanse samenleving, maar ook het beleid dat vaak aan die optiek verbonden is, in het bijzonder positieve discriminatie. Ze geloven niet dat positieve discriminatie veel heeft bijgedragen aan de opkomst van de zwarte middenklasse. Omdat zulk beleid, hoe je het ook wendt of keert, gebaseerd is op raciaal onderscheid, zien zij het als een bron van verdeeldheid en frustraties. Ze beroepen zich op de idealen van de burgerrechtenbeweging als ze zeggen: iedereen, ongeacht ras, moet gelijk worden behandeld.

Voorkeursbeleid

Het debat over positieve discriminatie wordt de afgelopen jaren in Amerika op steeds fellere toon gevoerd. Wat ooit een in brede kring (en in beide politieke partijen) geaccepteerde manier was om minderheden enige compensatie te geven voor de hun toegebrachte maatschappelijke achterstand, is nu heftig omstreden. In Californië is na een bittere campagne bij referendum besloten om alle positieve discriminatie bij de overheid af te schaffen. En ook in de rest van het land groeit de roep om ontmanteling van 'voorkeursbeleid', zoals de tegenstanders het liever noemen. President Clintons halfhartige verdediging van positieve discriminatie heeft niet kunnen voorkomen dat het hele beginsel zo langzamerhand danig in diskrediet is geraakt.

Pleitbezorgers van positieve discriminatie moeten zich zelfs steeds vaker verweren tegen het verwijt dat ze eigenlijk racistisch zijn. De columnist Jim Sleeper (voorheen van de New York Daily News) betoogt in zijn pamflet Liberal Racism dat linkse politici het ideaal van een 'kleurenblinde samenleving' hebben verraden. Ze hebben de nationale obsessie met ras verhevigd door hardnekkig aan raciale quota en positieve discriminatie vast te houden, en door concepten als (zwarte) raciale trots te onderschrijven. Ze hebben, aldus Sleeper, het deterministische, in wezen racistische idee bevorderd dat het lot van mensen wordt bepaald door hun huidskleur. De praktijk van quota's en positieve discriminatie heeft dat oude geloof nieuw leven ingeblazen. Links zou de strijd tegen discriminatie en racisme moeten aanvoeren, zegt Sleeper. En dat kan alleen als ze er mee stopt de mensen in raciale categorieën in te delen. Amerikanen, is zijn leuze, moeten boven de rassenverschillen uitstijgen.

Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. In het dagelijks leven van Amerikanen speelt hun ras op allerlei manieren een grote rol. Vooral zwarte Amerikanen worden er voortdurend mee geconfronteerd: de ene keer bij het aanhouden van een taxi, de andere keer bij het zoeken van een huis, het solliciteren naar een leidinggevende positie of in de omgang met de politie.

Hoezeer de hele samenleving van de obsessie met huidskleur is doortrokken laat de journalist David Shipler goed zien in A Country of Strangers. Shipler (voorheen correspondent van The New York Times en schrijver van onder meer Arab and Jew: Wounded Spirits in a Promised Land) heeft een paar jaar door Amerika getrokken en honderden mensen gesproken over hun ervaringen in alledaagse raciale mijnenvelden als de middelbare school, de lokale politiek, het bedrijfsleven en etentjes met vrienden en kennissen.

Shiplers reportage levert levensechte verhalen op, vol pijn, verwarring en dilemma's. Over zwarten die bang zijn om hun zwarte vrienden van zich te vervreemden als ze zich aanpassen aan de blanke wereld. Over blanken die zich buitengesloten voelen als zwarten op kantoor of in de schoolkantine naar elkaar toetrekken. Over subtiele en minder subtiele vormen van racisme. Over onhandigheid die aangezien wordt voor racisme. Over 'de onzichtbare privileges van het blank-zijn'. En over de moeizame gesprekken over dit alles.

'Praten over rassenkwesties is een van de moeilijkste opgaves in Amerika', verzucht Shipler. 'Schreeuwen is makkelijk. Maar een conversatie voeren - zwart met blank, blank met zwart - is een zeldzame en moeizame prestatie. De color line is een gordijn van stilte.'

Om die reden verdient het initiatief van president Clinton, om een nationale dialoog te houden over de verhouding tussen de rassen, een kans. Het plan stuit op veel scepsis en komt maar moeizaam van de grond. Het verraadt Clintons karakteristieke aarzeling om zèlf krachtig stelling te nemen. Hij is liever een soort nationale therapeut, dan een leider die de Amerikanen vanuit een diepe overtuiging de weg wijst. Maar Clinton heeft goed gezien dat het complex van misverstanden, bitterheid en onrechtvaardigheid alleen maar zal verharden als de hele zaak zó gevoelig wordt dat niemand er nog over durft beginnen.

Massamedia

Als de massamedia aandacht besteden aan de relaties tussen de rassen is het meestal naar aanleiding van dramatische kwesties in het nieuws, de omstreden benoeming van opperrechter Clarence Thomas bijvoorbeeld, de affaire Rodney King of de zaak O.J. Simpson. Ook kleinere kwesties die het nieuws halen moeten het vaak hebben van dramatiek: een blank meisje dat niet is toegelaten tot een universiteit, terwijl ze hogere eindcijfers had dan zwarte studenten die wel zijn aangenomen; een zwart echtpaar in North Carolina dat om hun huidskleur op straat vermoord is door drie blanke soldaten; een bekend bedrijf dat zich schuldig maakt aan systematische discriminatie.

De kloof tussen blank en zwart, zo lijkt al die berichtgeving keer op keer te bevestigen, is nog altijd onoverbrugbaar. Het land staat aan de rand van een raciale crisis, roepen de commentatoren. Voor de subtiliteiten en paradoxen van het dagelijks leven is temidden van al die opwinding en sombere analyses maar zelden aandacht.

Maar in de talloze boeken die over blank en zwart in Amerika verschijnen, bestaat daarvoor wel de ruimte. Auteurs met de meest uiteenlopende visies en benaderingen nemen met hun boeken deel aan een soort 'nationale dialoog in druk'. Het ambitieuze boek van Stephan en Abigail Thernstrom bijvoorbeeld is bedoeld als hedendaagse opvolger van de klassieke studie van Gunnar Myrdal An American Dilemma, The Negro Problem and American Democracy uit 1944, en steunt zwaar op statistisch onderzoek. Aan het andere eind van het spectrum bevindt zich Nathan McCall, wiens bundel What's going on een verzameling informele bespiegelingen is. McCall schreef in 1994 de bestseller Makes me wanna holler, waarin hij vertelt hoe hij als als zwarte tiener op het misdadige pad kwam, in de gevangenis belandde en als journalist zijn weg vond in de maatschappij. In zijn nieuwe boek schrijft hij, soms in de taal van zwarte straatjongeren over de obsessie van de zwarte jeugd met basketbal, de populariteit van gangsta rap en de geheime angsten van blanken en zwarten die met elkaar in de lift staan.

De oorspronkelijkste analyse van de laatste tijd is The Ordeal of Integration, een boek vol genuanceerde en verhelderende observaties van de Harvard-socioloog Orlando Patterson. Patterson, die eerder schreef over de slavernij (Slavery and Social Death) en over etnische vooroordelen (Ethnic Chauvinism: The Reactionary Impuls) komt uit Jamaica. Hij heeft er als een van de weinigen voor kunnen kiezen om Afro-Amerikaan te worden, schrijft hij. En het feit dat hij dat gedaan heeft, geeft al aan dat hij over het lot van zwarte Amerikanen niet louter pessimistisch is.

Verandering

Patterson stelt vast dat het met Amerika's zwarte bevolking tegelijkertijd beter en slechter gaat dan ooit. Ook andere auteurs lopen tegen die tweeslachtige situatie aan. Enerzijds groeit de zwarte middenklasse gestaag, maar anderszijds loopt een (aanzienlijk kleinere) zwarte onderklasse vast in een uitzichtloos moeras van armoede, criminaliteit en drugsgebruik (Shipler vat de situatie samen met de constatering: 'Amerika heeft meer zwarte directeuren èn meer zwarte gevangenen dan tien jaar geleden'). Enerzijds is de wettelijke discriminatie afgeschaft, zoals de Thernstroms benadrukken, en zijn de persoonlijke contacten tussen blanke en zwarte Amerikanen nog nooit zo talrijk geweest. Maar anderzijds groeit het wederzijdse onbegrip, kiezen weer meer mensen voor gescheiden woonwijken.

Patterson gaat verder dan het signaleren van die paradox: hij maakt er het verklarende beginsel van zijn boek van. Wie kiest voor verandering kiest voor conflict, is zijn centrale stelling, en conflicten brengen pijn met zich mee. De talloze grote en kleine conflicten die de verhouding tussen blank en zwart nu zo op scherp zetten, zijn geen incidentele restanten van een voorbije tijd, zoals de optimisten willen. Het zijn ook geen bewijzen dat de strijd voor gelijkheid vrijwel niets heeft opgeleverd, zoals de pessimisten geloven. Volgens Patterson is die wrijving een onvermijdelijk neveneffect van de voortschrijdende integratie.

Toen blanke en zwarte Amerikanen in gescheiden werelden leefden, hadden ze zelden intensief met elkaar te maken. Voor confrontatie was relatief weinig gelegenheid. Nu is dat anders. Op het werk, op school, in de kennissenkring en in praatprogramma's op televisie komen blank en zwart elkaar tegen. En dat brengt pijnlijke situaties met zich mee. Maar het is de prijs van de integratie. En de meeste Amerikanen, aldus Patterson, hebben het ervoor over om die prijs te betalen.

Nog een andere paradox versterkt het crisisgevoel. Het is wat Patterson 'de bevrijdingswoede' noemt: het verschijnsel dat een groep die onderdrukt is geweest, daar verontwaardigder over doet naarmate ze meer gelijkheid bereikt met de voormalige onderdrukkers. Hij verklaart dat onder andere uit de grotere toegang tot het openbare debat en de media. Maar bovendien is de woede oprecht toegenomen, stelt hij. Vroeger geloofden veel Afro-Amerikanen bijvoorbeeld dat blanken per definitie slecht waren, dat er voor hen geen plaats in de hemel was: 'hell would be good enough... if big enough'. Maar nu beide groepen oog hebben gekregen voor elkaars menselijkheid, moeten de Afro-Amerikanen de bittere werkelijkheid onder ogen zien dat het geen duivels waren die verantwoordelijkheid droegen voor drieënhalve eeuw van onderdrukking, maar medemensen.

Anders dan het echtpaar Thernstrom heeft Patterson veel waardering voor positieve discriminatie. Hij noemt het 'het meest succesvolle beleidsinstrument in de strijd tegen racisme en etnische discriminatie'. Zwarte Amerikanen, en andere minderheden, krijgen er toegang door tot netwerken waar ze anders nooit in zouden doordringen, door hun gebrek aan 'sociaal en cultureel kapitaal'. Met dat kapitaal doelt hij op de vertrouwdheid met de omgangsvormen en gebruiken van de blanke middenklasse, die voor een succesvolle carrière onontbeerlijk zijn.

De Thernstroms en hun geestverwanten mogen betogen dat iedereen gelijk behandeld moet worden, de werkelijkheid is helaas dat van gelijke behandeling geen sprake is, stelt Patterson. Als een organisatie etnische diversiteit niet uitdrukkelijk tot doelstelling maakt, zullen minderheden er bijvoorbeeld nooit promotie maken. Personeelsfunctionarissen en directeuren kijken namelijk niet alleen naar de persoonlijke kwaliteiten van kandidaten, maar ook hoe ze in hun omgeving passen. En mensen hebben nu eenmaal de neiging om bij voorkeur te spelen, te trouwen, en ook samen te werken met mensen met wie ze veel gemeen hebben. Zelfs als een zwarte kandidaat precies over hetzelfde 'culturele kapitaal' beschikt als zijn blanke concurrenten, dan nog kampt hij met het probleem dat een personeelschef die zijn blanke werknemers kent, waarschijnlijk weet dat veel van hen niet graag onder een zwarte chef werken. Wil hij ze opvoeden, of wil hij zo min mogelijk gedoe?

De groeiende bezwaren in de Verenigde Staten tegen positieve discriminatie hangen waarschijnlijk samen met het diepgewortelde Amerikaanse geloof in de autonomie van het individu, in de verantwoordelijkheid van de mens voor zijn eigen lot. Wie een baan krijgt, of een plaats aan de universiteit, wie in het zakenleven succesvol is, denkt niet meteen aan het sociale en culturele kapitaal dat daarbij behulpzaam is geweest, maar ziet zijn succes als een prestatie die hij dankt aan zijn eigen inspanningen. De keerzijde van dat geloof is dat wie niet slaagt in het leven, het dan ook wel aan zichzelf te danken zal hebben.

Een meerderheid van de Amerikanen, blank en zwart, mag geloven in de autonomie van de mens, een minderheid hangt een deterministische visie aan, waarin elk falen - moreel, economisch en sociaal - op het conto van externe omstandigheden wordt geschreven. Zo wordt het bestaan van racisme soms wel erg makkelijk te hulp geroepen om mislukkingen te verklaren.

Die neiging, die door veel linkse en zwarte leiders wordt onderschreven, leidt tot een funeste passiviteit, stelt Patterson. De sociale wetenschappen hebben tot in den treure uitgelegd waarom de zwarte onderklasse zich niet uit de armoe kan opwerken. Maar hoe is tweederde van de Afro-Amerikanen, met dezelfde problemen, er dan toch in geslaagd om zich op te werken? Doordat, zegt Patterson, ze hun leven wèl in eigen hand hebben kunnen nemen. Ze geloofden er, ondanks alles, in dat dat kon.

Getto's

Patterson meent dat de toenemende integratie de noodzaak voor positieve discriminatie zal doen verdwijnen. Tweederde van de zwarte Amerikanen beschouwt zich volgens hem nu al als deel van de Amerikaanse mainstream. Hij stelt daarom een geleidelijke afschaffing voor, over een termijn van vijftien jaar. Daarna zou positieve discriminatie niet meer voor etnische groepen gebruikt moeten worden, maar alleen nog voor Amerikanen uit arme gezinnen. Want 'als er in Amerika twee naties aan het ontstaan zijn, dan zijn het die van de haves en de have-nots, een scheiding die dwars door de rassen heen loopt'.

Amerika is natuurlijk allang niet meer een land van blank en zwart. De bevolking omvat bijna alle etnische groepen ter wereld en nog talloze mengvormen. Maar het is toch vooral de verhouding tussen blank en zwart, tussen Euro-Amerikanen en Afro-Amerikanen, waar het land mee blijft worstelen.

En hoe kan het ook anders. Er mag de afgelopen decennia op dit terrein veel vooruitgang zijn geboekt, aan grote groepen is dat volkomen voorbij gegaan. In deze welvarende supermacht leeft meer dan veertig procent van de zwarte kinderen in armoede. De werkloosheid onder zwarten is twee keer zo hoog als onder blanken. Voor mannen tussen vijftien en vierentwintig jaar is moord de voornaamste doodsoorzaak. En een derde van de zwarte mannen tussen de twintig en de dertig jaar zit in de gevangenis, of staat op een andere manier onder toezicht van Justitie. Wat ook de oorzaken van deze problemen zijn, ze ondergraven het geloof in Amerika als één natie, One Nation, Indivisible.

In Our America vertellen twee jongens uit Chicago (dertien en veertien jaar oud) over hun moeilijke en gevaarlijke leven in de uitgewoonde sociale-woningbouwflats waar ze opgroeien. LeAlan Jones en Lloyd Newman horen tot die zwarte minderheid die is achtergebleven in de getto's in de binnensteden. Hun boek is de neerslag van een reeks ontwapenende reportages die ze op verzoek van de publieke radio maakten in hun buurt, die landelijk korte tijd in de belangstelling stond toen een jochie van vijf op de veertiende verdieping uit het raam werd gegooid door twee jongens van tien en elf.

De kinderen in deze buurt, midden in Chicago, groeien op als in een oorlog. Ze hebben vrienden op straat zien sterven, ze hebben broertjes in de gevangenis, ze worden opgevoed door hun oma of hun zusje, en ze proberen te overleven tussen de verleidingen van de drugshandel, het geweld van de jeugdbendes en een voortdurende armoede. Een sociaal probleem? Zeker, maar dat kan niet los gezien worden van de huidskleur van deze vergeten families. Ook onder blanken in Amerika bestaat schrijnende armoede. Maar niets dat vergelijkbaar is met de uitzichtloze situaties in de verpauperde binnensteden.

Is dit een ander land? Of is Amerika toch één natie? 'Ik heb me nooit Amerikaan gevoeld', schrijft LeAlan. 'Alleen maar Afro-Amerikaan.'