De films en de leugens van W.C. Fields; Mompelen tegen een weigerachtige sigaar

Ananassen mochten niet samen in beeld met met een banaan: de films van de komiek W.C. Fields werden streng gecensureerd. Simon Louvish schreef een uitvoerige biografie over de jongleur, filmkomiek en 'Grootste Leugenaar ter Wereld'.

Simon Louvish: Man on the Flying Trapeze - The Life and Times of W.C. Fields, Faber & Faber 1997, ƒ 77,60

De vlieg doopt een achterpoot in de inktpot, heel voorzichtig, zoals iemand met een teen de temperatuur van de zee vaststelt. Verzwaard stijgt hij op en zonder een druppel te verliezen zweeft hij naar een nabij gelegen dokument. Vanuit de lucht zoekt het insekt de stippellijn. Het laat de in een pen veranderde poot langzaam dalen en dan bootst het met een paar magistrale streeplussen de handtekening van de afwezige gevangenisdirecteur na.

Het werk zit erop. Door het open venster verlaat de vlieg het kantoor en gaat op zoek naar water om zich te ontdoen van de laatste restjes inkt. Als de secretaresse van de directeur binnenkomt, ziet ze dat het papier is getekend. Ze geeft het aan een bediende en nadat die het plechtig aan een bewaker heeft overhandigd, wordt een man uit de gevangenis ontslagen. De man heet Egbert Sousay en hij wordt in The Bank Dick (1940) gespeeld door W.C. Fields, de artiestennaam van William Claude Dukenfield (1880-1946).

Sousay vertelt over de vervalsing van de vlieg in het Black Pussy Café. De monoloog staat volledig in het scenario van Mahatma Kane Jeeves (Fields zelf) en is toch niet in de film terechtgekomen. Waarom niet? Het kan dat de scène, omdat die afbreuk deed aan het ritme van de film, overtollig werd. 't Is ook mogelijk dat Joseph Breen, tot diep in de jaren vijftig de officiële censor van alle Amerikaanse films, nadat hij het script had gelezen zijn veto over Sousay's te behulpzame vlieg uitsprak. Niet voor niets werd op gezag van Breens Production Code de naam van de kroeg in Black Pussy Cat Café veranderd.

In Never Give a Sucker an Even break uit 1941 probeerde Fields de vlieg, die hij Old Tom noemde, opnieuw te laten schitteren. Ook dit keer haalde het insekt alleen het scenario. De weg werd hem niet door Breen versperd. In zijn bewaard gebleven kritische brief van zes kantjes naar aanleiding van Never Give a Sucker komt Old Tom niet voor. Wel verraadt de formidabele precisie van het schrijven hoe ernstig de censor zijn werk nam. Het lijkt wel of hij met z'n aanmerkingen een beeld van de hele Fields wilde geven. Geen kant van de ooit als jongleur - met sigarenkistjes - begonnen komiek blijft onbesproken.

Een belangrijk algemeen punt voor Breen is de drank. Er wordt in Never Give a Sucker voortdurend grappig over alcohol gepraat. Hij heeft geteld dat meer dan zestig scènes zich in een bar of café afspelen. Om te beginnen moeten die allemaal worden veranderd. Verder kan er geen sprake van zijn dat Fields' gelaatsuitdrukking verandert als hij naar de benen van een meisje kijkt. Een vrouw die zegt dat ze naakt wil zonnebaden - ontoelaatbaar. Bananen en ananassen mogen niet in elkaars gezelschap worden getoond.

De brief van de censor komt uitgebreid voor in Man on the Flying Trapeze - The Life and Times of W.C. Fields van Simon Louvish. De biograaf roemt Breens stijl en vergelijkt hem om z'n wel haast paranoïde aandacht voor alledaagse finesses met Mark Twain. Hij vermoedt zelfs dat de censor tijdens het schrijven van de brief langzaamaan zijn verstand verliest. Je kunt ook zeggen dat Breen er niet voor terugschrok de laatste verfijningen in zijn kritiek aan te brengen, geheel volgens de hoofdwet van zijn code, die elke zedelijk dubieuze film verbood.

Een meisje slaat met een baksteen op Fields' hoofd. 't Is een beledigende scène voor alle goedwillende ouders en voor de organisaties die zich met kinderopvoeding bemoeien. Breen bereikt een grote hoogte als hij het aanstaande huwelijk van Fields en mevrouw Hemagloben bespreekt. De plechtigheid zelf mag niet humoristisch worden behandeld. Alleen als de politierechter en de echtelieden buiten beeld zijn kan de regisseur zich enkele grapjes veroorloven.

Denk niet dat Breen en Fields gezworen vijanden waren. Over sommige scènes en dialogen werd kameraadschappelijk onderhandeld, al hoopte Fields in een PS van een brief dat er een Indiaanse tseetseevlieg in de soep van de censor zou vallen.

Tegen het eind van de biografie mag Breen op volle kracht uithalen. Intussen is er met het levensverhaal van W.C. Fields iets zeldzaams gebeurd. Louvish houdt Breen met z'n ambtelijke bemoeizucht voor krankzinnig, maar de biograaf komt er zelf, zonder dat hij het merkt, ook niet zonder kleerscheuren van af. 't Is of niemand zich ongestraft kan bemoeien met de man die z'n lessen in hoe je een truc moet verkopen van een sigarenwinkelier kreeg.

Het was Fields eerste baantje. Elke sigaar kostte drie cent. Het kwam voor dat een klant naar een sigaar van tien cent vroeg en dan werd hij niet teleurgesteld. De sigaren waren niet openlijk geprijsd en mochten van de baas voor ieder bedrag de deur uit, als de klant zich maar koning voelde.

Het was een ruil met een lange traditie en met een nog steeds niet gedoofde toekomst. Bij een Amsterdamse bloemenman staan dezelfde rozen voor verschillende prijzen in twee een eind van elkaar verwijderde emmers, sigaar en roos geheel in de stijl van de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges die dacht dat de geschiedenis misschien niet meer is dan de ontwikkeling van enkele metaforen.

Boksende kangoeroe

In het begin van Man on the Flying Trapeze blijft Louvish nog overeind. Hij heeft keurig voor de chronologie gekozen en behandelt eerst de jonge jaren van Fields als zoon van een groentenhandelaar in Philiadelphia. Daarna komt de binnen- en vroeg buitenlandse roem (Berlijn, Parijs, Londen, Wenen, Australië, Zuid-Afrika) van de jongleur die optreedt met het wonder zonder armen, de boksende kangoeroe, een Chinese reus of een vierbenig meisje, kijk, een trombonist speelt onder water en de echte Captain Spaulding eet lang voor Groucho Marx op het toneel gesmolten lood.

Louvish is een romanschrijver en een maker van filmdocumentaires en dat komt hem bij deze biografie van pas. Hij schetst Fields jeugd met korte taferelen. Als de jonge artiest het ouderlijk huis uit is, heeft hij zo weinig geld dat hij enkele met houtwol gevulde jute-zakken op een deur spijkert. Die schuift hij uit z'n hengsels, gebruikt hem als bed om de deur de volgende morgen weer z'n vertrouwde plaats te geven. Zo'n beeld werkt als verhaal en het loopt documentair vooruit op de vindingrijkheid waarmee Fields later bij de Ziegfield Follies op Broadway en in ruim veertig Hollywood-films sigarenkistjes, biljartballen en een hele golfbaan aan z'n tedere vingers ondergeschikt maakte.

Soms gaat Louvish van heel dichtbij op Fields' handen en mond in. Al heel jong kletste hij, gekleed in een mottige bontjas, tegen z'n rekwisieten, je ziet het hem doen, een bal keert uit de lucht net niet op tijd naar z'n hand terug, 'Beetje laat, ouwe jongen...', de hoge hoed valt zonder bevel van z'n hoofd, de zweep erover, 'Ben je nou bedonderd' en ondanks een paar sierlijke bewegingen weigert een sigaar de mond als einddoel te aanvaarden, 'Wat moet je met 'm, ellendeling', volgt onverstaanbaar gemompel.

Simon Louvish had de beschikking over een groot aantal, meestal op latere leeftijd door Fields geschreven, autobiografische teksten, die de komiek voor een deel in Fields for President (1940; herdruk Peter Owen, Londen 1971) opnam. Bovendien ontdekte hij talrijke interviews, persberichten, niet eerder gepubliceerde scenario's, brieven, schetsen en zelfs een door Fields, toen hij tweeëntwintig was, geschreven beschouwing over zijn eigen werk die hij onder de titel 'The Great Cigar-Box Trick' in The Magician's Handbook (1902) publiceerde.

Zulke geschriften zijn een goudmijn voor een biograaf. Louvish gebruikt ze dan ook, hij kan niet anders, maar in het eerste hoofdstuk waarschuwt hij het publiek. Fields is de Grootste Leugenaar ter Wereld. Wie hem gelooft loopt in een spiegeldoolhof vol bedriegelijke pijlen, doodlopende lanen en veelbelovende weggetjes met bochten die weer naar het punt van uitgang leiden. 't Is als in The Barber Shop (1932) wanneer Fields vanuit z'n zaak op de vlucht slaat voor een schurk. Na een blokje om valt de barbier ten slotte vlak bij z'n eigen man die hem zoveel angst inboezemde.

Fields vertelde al in 1910 dat hij als elfjarige van huis wegliep en zichzelf met stelen en ander bedrog in leven hield. Door het laden lichten en het valsspelen met kaarten werd hij zo vingervlug dat het beroep van jongleur voor hem vanzelf sprak. Soms sliep hij in een hol onder een boom. De kou die hij moest doorstaan maakte zijn stem al heel vroeg raspend hees. Hij hield dapper vol. Op klaarlichte dag wisselde hij met een zwerver van kleding en zo werd hij de eerste jonglerende vagebond ter wereld.

Bij zo'n passage luidt het kittige commentaar van Louvish meestal 'flimflam' of 'wish-wash', onzin, kletskoek. De jonge Fields kon redelijk met z'n ouders opschieten en verliet het huis pas toen hij achttien was. Met wat Louvish ook nog in archieven heeft gevonden staat hij zo sterk dat hij er niet voor terugschrikt met W.C. Fields een gevecht om de waarheid over diens leven aan te gaan.

Gevangenis

Die aanpak verandert het boek in een nummer voor een komiek en zijn biograaf. Natuurlijk zegt Fields dat zijn succes hem niet alleen naar Afrika en Australië, maar ook nog naar Samoa, India en China voerde. Koning Edward de Zevende vroeg hem zelfs of hij in Buckingham Palace wilde optreden. In elke stad opende The Greatest Cowboy Juggler in the World een bankrekening, als hij tenminste niet in de gevangenis zat.

Hoe schitterend Fields ook fantaseert, altijd komt z'n tegenspeler Louvish wel met een bewijs dat onweerlegbaar het tegendeel beweert. In zijn precisie steekt hij Joseph Breen soms naar de kroon.

Op een dag staat W.C. Fields voor het huis van de Gouverneur-Generaal in Johannesburg. Hij wacht in de tuin tot hij naar binnen mag. Het giet van de regen en in een herinnering beschrijft Fields hoe de druppels aan z'n spullen raken, alles wordt nat, z'n sigarenkistjes, golfclubs en rubberen ballen. 't Is een prachtig beeld van de variété-artiest die z'n plaats moet kennen.

Dan komt Louvish eraan en het ogenblik is zo goed gekozen dat het werkelijk lijkt of Fields hem voor een nadere uitleg oproept. Louvish heeft net ontdekt dat het die dag helemaal niet regende. Fields werd allerhartelijkst door de gouverneur ontvangen en trad in een zonnige tuin op voor een publiek van wel dertig thee drinkende gasten.

Zo trekt Fields z'n tegensputterende biograaf mee naar het reusachtige vaudeville-theater waar olifanten van een duikplank plonsen, hij vertelt hem welke schrijvers hij leest, Dickens, Hardy, Milton, Dumas, Hugo, Twain, laat zien dat het bij zijn voorstellingen zo druk is dat het publiek verticaal moet klappen, zegt dat hij houdt van The Comic Supplement met al die strips in de krant van zondag en toont Louvish het bord achter het toneel in een theater van Fargo, North Dakota. De directeur heeft daarop een waarschuwing geschreven. 'Onderstaande nummers zijn al een keer gebruikt in dit theater - gebruik ze niet' en dan volgen honderd beproefde vondsten, waaronder het vogeltje dat ook in latere filmkluchten steeds maar weer uit een baard vliegt.

Fields was altijd bang dat een collega hem een doorwerkt idee zou ontfutselen en toch deed hij zelf niet anders. De scène uit It's a Gift (1934) met de familie Bissonnette die in hun niet startende auto vruchteloos afscheid probeert te nemen van de toekijkende buren - 'Goodbye! Goodbye!' - werd jaren eerder bedacht door de Engelse music-hall komiek Harry Tate.

De voorstellingen met de sigarenkistjes, de biljarttafel en de golfclubs, die Fields in het theater had vervolmaakt, keren in veel van zijn films terug en dat niet eens door een gebrek aan ideeën. Hij kende de balans van deze nummers, omdat hij in het theater de kleinste details op hun juiste lengte had getest. Als Fields in een nieuw verhaal voor de camera stond, kon hij dat op niemand afstemmen. Hij ging vaak naar de bioscoop om z'n eigen films te zien. Misschien viel er uit de reacties van het publiek iets op te maken waarmee hij bij een volgende produktie zijn voordeel kon doen.

Deernis

Wie een indruk wil krijgen van Fields' talent kan terecht in de videotheek. De films uit zijn topjaren 1933-1940 worden nog regelmatig uitgeleend. In de meeste verhalen speelt hij een huisvader die het met behulp van een lieftallige dochter opneemt tegen een kijvende vrouw en een kreng van een zoontje.

Louvish komt onmiddellijk op de proppen en zegt steevast dat het gaat om een afrekening met Fields' vrouw Hattie Hughes van wie de komiek al jong was gescheiden, en hun zoon Claude. Als de witte clown van het biografische duo kan Louvish het niet laten om een briljante tournure in een droevig levensfeit te veranderen.

Juist die povere deernis wordt door Fields in elke film om zeep geholpen. In The Last Glass of Beer (1933) speelt hij de goudzoeker Snavely die in zijn blokhut voor een agent van de Canadese bergpolitie op z'n citer tokkelt en een lied zingt over een verloren zoon die aan de drank ten onder is gegaan. Als de zoon uit de gevangenis wordt ontslagen, keert hij in een hevige sneeuwstorm naar zijn ouders terug, maar niet voor lang. Het echtpaar Snavely heeft geen zin meer in de keurig geklede jongen en dondert hem de sneeuw weer in. Deze samenvatting gaat aan het belangrijkste voorbij.

Goudzoeker Snavely heeft nauwelijks belangstelling voor zijn huisgenoten. Met half toegeknepen ogen en langzame passen probeert hij mompelend aan de hele ellendige sneeuwgeschiedenis te ontkomen. Die tegenzin in alles wat naar mededogen en gevoel zweemt is ongeëvenaard.

Fields wond zich liever op over een andere familie. In The Barber Shop legt de lievelingscello Lena van kapper O'Hare het aan met een cello die een vriend daar voor een morgen heeft gestald. Misschien heeft Joseph Breen deze flirt niet begrepen. Hij schrapte hem niet. Het kan ook dat de strekking hem beviel. Aan het eind van de film wordt de aanstoot gevende Lena met achterlating van een nest kleine cello's door O 'Hare als een hond de zaak uitgeschopt.