Buitenland in het fonds

Sandra van Voorst: Weten wat er in de wereld te koop is. Vier Nederlandse uitgeverijen en hun vertaalde fondsen 1945-1970. Sdu Uitgevers, 264 blz. ƒ 39,90

Sandra van Voorst deed voor haar proefschrift archiefonderzoek naar de fondsen van vier Nederlandse uitgeverijen: Het Spectrum, Meulenhoff, Contact en Veen. Representatieve uitgeverijen als het gaat om de ontwikkeling van een algemeen, internationaal georiënteerd fonds na 1945. Van Voorst kwam tot de ontdekking dat ze zich vóór alles moest bezighouden met de reconstructie van wat er uit de uitgeversarchieven is verdwenen. Voor wat er nog wel is, bleek steevast een tijdrovende inventarisatie nodig, omdat de archieven ongeordend en niet ontsloten zijn. Het is veelzeggend dat zij in haar voorwoord een lans breekt voor behoud en beheer van twintigste-eeuwse uitgeverijarchieven.

De stand van wetenschap bepaalt mede het onderzoek, en dat van Van Voorst blijft daardoor dus noodgedwongen aan de oppervlakte. Haar voornamelijk descriptieve proefschrift is, zo stelt ze met recht, een basis voor verder onderzoek. Hopelijk komt dat er ook, want het terrein is nog betrekkelijk onontgonnen, ondanks de toenemende belangstelling voor de boekgeschiedenis in het algemeen en - in het kielzog - voor de uitgeverij- en fondshistorie in het bijzonder.

Van Voorst stelde vragen naar het functioneren van de Nederlandse uitgeverij en naar de internationale culturele oriëntatie van die uitgeverij, in de periode 1945-1970. Tot haar reconstructiewerkzaamheden behoorde ook de samenstelling van de vier fondslijsten van de uitgeverijen. Daarbij viel onder meer de verhoudingsgewijs veel grotere titelproductie van Het Spectrum op. En ook dat in het totale boekenaanbod, ondanks de groeiende internationalisering, het percentage vertalingen steeds onder de twintig procent bleef. Ik had graag gezien dat deze fondslijsten, desnoods beknopt, in het boek waren opgenomen, zoals dat bijvoorbeeld in de studies naar de uitgevers Stols en Brusse wel is gedaan. Uitgeverijen spelen een belangrijke rol bij de culturele selectie, stelt zij, en ze hanteert daarbij het lelijke begrip 'gate-keeping'. Natuurlijk zijn uitgeverijen bij die selectie belangrijk, zeker als je - zoals Van Voorst één keer doet - dag- en weekbladen als uitgeverijproducten beschouwt, maar hun rol moet niet overdreven worden. Met de opkomst van een massamedium als televisie, ontstond er een voor de bepaling van culturele waarden misschien wel belangrijker medium, ondanks het geringere, maar wel stijgende aanzien ervan.

Van Voorst merkt over die selectie zelf al op, dat het niet alleen de uitgever is die beslist of een boek wordt uitgegeven. Het hele netwerk rond de uitgeverij speelt daarbij een rol. Auteurs, vertalers, lezers en de boekhandel zijn daarin maar enkele partijen. En bij vertalingen geldt bovendien: de voorselectie heeft al elders plaatsgevonden. De Nederlandse uitgever kan niet putten uit dezelfde bron als zijn buitenlandse collega. In de onderzochte periode werd het Engelse taalgebied voor het verwerven van titels steeds belangrijker, speciaal in het fictiegenre. Met de naoorlogse welvaartsstijging, vooral in de jaren zestig, stijgt ook de boekproductie enorm. De opkomst van het pocketboek speelt daarbij een belangrijke rol. Het Spectrum begon er al in 1951 mee. Hun Prismareeks werd de eerste succesvolle en de meest bekende pocketreeks in Nederland. Om een indruk te geven van de pockethype: in 1958 wordt in Utrecht de eerste pocketboekautomaat geplaatst, met de keus uit twee titels. Er volgden meer automaten, vaak ook met een ruimere keus, maar ze werden geen succes en verdwenen spoedig uit het straatbeeld.

Deze studie is van waarde door het pionierskarakter. De conclusie van het onderzoek is niet verrassend. Uitgevers hebben weliswaar een notie van hun culturele taak, maar laten zich bij hun fondsopbouw behalve daardoor vooral leiden door een gezonde koopmansgeest.