Bolkestein en 'radical chic'; Heimwee naar de vijand

Frits Bolkestein: Onverwerkt verleden. Prometheus, 280 blz. ƒ 34,90

Wat zou schrijvend Nederland moeten zonder Frits Bolkestein? Het lijkt vaak alsof hij in zijn eentje het intellectuele leven op het Binnenhof vertegenwoordigt, door geregeld kwesties aan te snijden die niet direct op de parlementaire agenda staan. Soms is een terloopse opmerking in een interview al genoeg om de pennen in beweging te brengen. Wie staatssecretaris Tommel is, drong pas afgelopen herfst tot heel lezend Nederland door, nadat Bolkestein hem een 'politiek onbenul' had genoemd op grond van zijn verleden als vice-voorzitter van de Vereniging Nederland-DDR. De stroom van commentaar die dat uitlokte, pakt nu uit als de belangeloze opmaat voor Onverwerkt verleden, een nieuwe bundel beschouwingen en interviews, die deze week is verschenen.

Hoewel niet alles eerder is gepubliceerd, zal men er weinig nieuws in aantreffen. Het 'onverwerkt verleden' slaat op het communisme, en Bolkesteins gedachten daarover zijn genoegzaam bekend. In de jaren zeventig stapte hij de Nederlandse politiek in om de strijd aan te binden met de eenzijdigheid van het 'opinieklimaat' onder Joop den Uyl, waarin rechtse dictaturen werden verketterd terwijl linkse dictaturen doorgaans op progressieve sympathie konden rekenen. De geschiedenis heeft hem vervolgens de overwinning in de schoot geworpen: het communisme is ineengestort en de vroegere communisten en 'fellow travellers' hebben alle reden om zich diep te schamen voor hun kortzichtigheid.

In Bolkesteins ogen doen ze dat laatste veel te weinig. Uitingen van spijt en gêne ontbreken weliswaar niet, maar in Oost-Europa spelen de ex-communisten weer een politieke rol van betekenis, nu vaak vermomd als nationalisten, en in Nederland zijn hun voormalige geestverwanten evenmin van het toneel verdwenen. De democratische verdraagzaamheid die dit toelaat, heeft een onacceptabele keerzijde, meent Bolkestein: onverschilligheid. 'Het is die onverschilligheid voor de ellende, anderen aangedaan, die stoort', schrijft hij. Het communistische verleden blijft 'onverwerkt', zolang een 'katharsis' in de vorm van rekenschap of (in Oost-Europa) berechting op zich laat wachten.

Hoe kon de 'kritische' generatie van 1968 zo 'onkritisch' zijn, vraagt Bolkestein zich - niet voor het eerst - af. Onder de vele antwoorden die hij geeft, is er één dat onmiskenbaar zijn voorkeur geniet: het geloof in ideologie of mythe, dat elke misdaad met een beroep op het goede doel rechtvaardigt. 'Niet de atoombom is immers het gevaarlijkste wapen, maar de idee', schreef hij al in De engel en het beest (1990). In zijn nieuwe boek wordt op hetzelfde aambeeld gehamerd, zodra de rol van de linkse intelligentsia ter sprake komt.

Van Jirí Pelikán, een van de vroegere machthebbers uit Oost-Europa die worden geïnterviewd, krijgt hij te horen: 'Intellectuelen zijn altijd nuttig omdat ze non-conformisten zijn'. Bolkestein is het er niet mee eens, gelet op het 'conformistisch begrip voor het communisme' bij zo'n groot deel van de westerse intelligentsia.

In de bundel zijn daar weer vele voorbeelden van te vinden. Een hoogtepunt is ongetwijfeld het twistgesprek met de professionele draaikont Albert van den Heuvel, ooit bestuurslid van de Wereldraad van Kerken, die pas na veel omwegen toegeeft dat het gebrek aan steun voor de dissidente christenen in het Oostblok niet tot de 'gloriepunten uit de Wereldraad-geschiedenis' mag worden gerekend. Zeer vermakelijk is ook een bekentenis van Bram Peper ('Ik vind macht eng'), door Bolkestein geciteerd in een artikel uit 1982 tegen het Hollandse atoompacifisme.

Toch heeft de hardnekkigheid waarmee Bolkestein het communisme en zijn 'nuttige idioten' (Lenin) blijft belagen iets merkwaardigs. Zijn gelijk is tenslotte zo monumentaal, dat hij de verdere afhandeling gerust aan de historici had kunnen overlaten. Je zou bijna zeggen dat hij zijn tegenstanders mist. Zijn politieke identiteit ontleent Bolkestein aan een liberaal pragmatisme, dat in markt en rechtsstaat zijn vertrouwen heeft gesteld. Maar zichzelf presenteert hij ook uitdrukkelijk als een principieel anticommunist, die reeds in 1956 tijdens een internationaal studentencongres in Praag de confrontatie zocht. Zonder communisten wordt het een beetje leeg rond een anticommunist.

En bovendien: wie zo lang dezelfde vijand bestrijdt, raakt er onwillekeurig door gefascineerd. Niet dat Bolkestein zelf ooit een soort Tommel zou zijn geweest, zoals De Groene (26-11-1997) insinueerde wegens de afwezigheid in het congresverslag van zijn, naar eigen zeggen met 'doodse stilte' ontvangen, anticommunistische protest. Het artikel dat Bolkestein in oktober 1956 over hetzelfde congres publiceerde in een studentenblad (in deze bundel is het herdrukt), laat weinig ruimte voor twijfel over de intenties waarmee hij destijds naar Praag was vertrokken. 'Men moet elke tegenstander nauwkeurig in zijn bewegingen volgen', schrijft hij, vlak vóór de Hongaarse opstand, 'Sterker nog, men moet hem op zijn eigen terrein, waar hij heer en meester is, ontmoeten en hem door op ondemocratische handelingen en vervalsingen van de waarheid te wijzen te lijf gaan'.

Een dergelijke houding sluit fascinatie allerminst uit. Bij Bolkestein is dat, naar ik vermoed, een fascinatie voor de communistische ideologie, zij het minder voor de inhoud dan voor het feit dat een ideologie zoveel reële macht kon krijgen. Precies dat noemt hij ook als een van de belangrijkste motieven voor het linkse engagement der westerse intellectuelen. De vermeende realisatie van de idee in het arbeidersparadijs (onverschillig of dat nu in de Sovjet-Unie lag, in China, op Cuba of in Vietnam) bewees dat zij er wel degelijk toe deden en verloste hen uit een drukkend isolement. Bolkestein heeft het over 'de eenzaamheid die de werkelijke intellectueel kenmerkt maar waarvoor de meeste would-be intellectuelen terugschrikken'.

De werkelijke intellectueel zou dus een non-conformist moeten zijn, iemand die bereid is daarvoor de prijs van zijn eenzaamheid te betalen. Onder een dictatuur kan hem dat als actief dissident een grote politieke invloed bezorgen. In de alledaagse democratische politiek heeft hij echter niet veel te zoeken, constateren Bolkestein en György Konrád tijdens hun gesprek eendrachtig. In de meeste Oost-Europese landen is de politieke rol van de vroegere dissidenten vrijwel uitgespeeld. De democratische politiek is immers bijna altijd 'alledaags', dat wil zeggen: verstoken van de ideologische of morele inzet die het intellectuele temperament stimuleert.

In nog sterkere mate geldt dat voor de oude democratieën van West-Europa, zeker nadat het communistische alternatief in diskrediet is geraakt. De ideologische tegenstellingen van weleer leiden er nog slechts een historisch leven; alleen door hun tijdloze morele lading te accentueren kunnen ze weer een moment actueel worden gemaakt. Nu is het morele debat een beproefd Nederlands volksvermaak, maar in dit geval komt het tevens tegemoet aan een typisch intellectuele hang naar hoger élan, die vroeger werd bevredigd door het ideologische conflict en die de huidige democratische consensus onvervuld laat. Op zijn manier getuigt ook Bolkestein daarvan, al is hij wèl zo consequent om zich - ondanks de schijn van het tegendeel - niet als 'intellectueel' te afficheren.

De gevolgen van deze moralisering van het verleden kunnen verrassend zijn. Zo biechtte J.L. Heldring, aangestoken door Bolkesteins oproep tot publieke rekenschap, in deze krant zijn vroegere contact op met een van de Nederlandse inlichtingendiensten, vreemd genoeg zonder daarbij te bedenken dat het nogal verschil maakt of je je inlaat met de inlichtingendienst van je eigen land of met die van een vijandige mogendheid. Minder verrassend is de reactie van de ex-communisten die, voorzover zij zich niet wentelen in schuldbesef of hun heimelijke dissidentie benadrukken, als vanouds het kapitalisme en het kolonialisme ter verantwoording roepen. Wie niet beter weet zou kunnen menen dat de ware politiek zich uitsluitend afspeelt in het verleden.

Onzin natuurlijk. Maar op enkele uitzonderingen na (denk aan het nationalisme in Oost-Europa of aan het moslim-fundamentalisme dat in Algerije toont waartoe het in staat en bereid is) zijn de meeste problemen van nu moeilijk in de geijkte ideologische kaders te vangen. Conformisme is er daarentegen nog altijd genoeg, getuige (om slechts één binnenlands voorbeeld te noemen) de lijdzame acceptatie van de kennelijk onstuitbare onderwijsvernietiging, waardoor straks geen enkele jonge lezer nog zal begrijpen waar de VVD-leider zich druk om heeft gemaakt.

Bolkestein, de intellectueel die geen intellectueel wil zijn, hoeft zich daarom ook zonder communisme niet te vervelen. Met Onverwerkt verleden lijkt hij alles wat hij dienaangaande op zijn lever heeft wel te hebben gezegd. Dat het blinde engagement van de 'kritische' intellectuelen desondanks een 'raadsel' blijft, zoals hij schrijft, mag geen reden tot ontmoediging zijn. Het zou hem zelfs in zijn pragmatisme kunnen sterken, want het oplossen van de laatste raadsels was nu juist een specialiteit van zijn ideologische tegenstander.