Bernardus Johannes Alfrink (1900-1987); De rooms-ironische kardinaal

Ton H.M. van Schaik: Alfrink. Een biografie. Anthos, 574 blz. ƒ 69,50 Harry Mourits (samensteller): Herinneringen aan kardinaal Alfrink. Anthos, 187 blz. ƒ 29,90

In 1951 werd de priester en bijbelgeleerde Bernard Alfrink (51) hulpbisschop van Utrecht. Vier jaar later volgde hij kardinaal Jan de Jong op als aartsbisschop. In 1975 bereikte hij de kerkelijke leeftijdsgrens en trad af. Alfrink begon zijn ambt in een hoogtij van verzuiling en van hiërarchisch bewustzijn onder katholieke gelovigen. Een kwart eeuw later was de katholieke zuil verbrokkeld, was zijn kerk verscheurd door publieke tegenstellingen en hadden Vaticaanse prelaten wraak genomen op een kardinaal die hen op het Tweede Vaticaanse Concilie had weten te trotseren. De historicus die Alfrinks leven als thema kiest van onderzoek, krijgt de dramatische voorstelling dadelijk aangereikt.

De hoofdpersoon zelf laat zich nauwelijks dramatiseren. Hij had geen enkel talent voor het theatrale, ook al bood het Vaticaanse hofceremonieel voor kardinalen daartoe wel gelegenheid. Zijn talent lag in de ironie, die afstand schiep en ruimte in menig moeilijk moment in die uitdagende culturele omwenteling van de jaren zestig. Hij was al evenmin een man van het treffende woord of van bezielende redenaarskunst. Revolutionair was hij allerminst. Alfrink speelde immers een leidende rol in de formulering van het mandement van 1954, waarin de Nederlandse katholieken werden vermaand om in het gareel van de eenheid te blijven of erin terug te keren.

Hij was er niet voor geboren maar hij is het wel geworden: de ambtsdrager die een vrije gedachtewisseling voorstond over de noodzaak van aanpassing en modernisering van de leer en daardoor gezag en zelfs - zijns ondanks - een zeker charisma verkreeg. Het heeft er even op geleken, dat deze modernisering zich kon voltrekken binnen de ruimte die van bovenaf, in het Vaticaans Concilie en in de Nederlandse kerkprovincie, was geschapen. Maar in het begin van de jaren zeventig werd duidelijk, dat de scrupuleuze Paulus VI, zijn vriend, grenzen stelde aan de vrijheid in de Nederlands kerk om bijvoorbeeld een nieuwe catechismus uit te brengen of het priestercelibaat facultatief te stellen. Kardinaal Alfrink werd binnenslands belaagd door een dikwijls anonieme oppositie van kerkelijke verontrusten. Maar in de tang genomen werd hij door het Vaticaan, dat in Rotterdam en Roermond zijn conservatieve bisschoppen benoemde met voorbijgaan aan welke lokale voordracht dan ook.

Alfrinks leven is te boek gesteld door de kerkhistoricus Ton van Schaik, die eerder zijn voorganger kardinaal Jan de Jong in oorlogstijd portretteerde. De biograaf heeft het met zijn bronnen niet steeds getroffen. Het archief van het aartsbisdom Utrecht was voor hem slechts toegankelijk tot 1967. Dat betekende, dat de fase van het conflict tussen Utrecht en het Vaticaan archivalisch voor hem verborgen bleef. Over persoonlijke correspondentie wordt in deze studie niet veel gesproken. Wel heeft hij in overvloedige mate zijn redevoeringen laten afdrukken, zodat de officiële Alfrink in zijn intellectuele bewoordingen, zijn bijzonder indirecte wijze van zeggen en vooral zijn soms dodelijke ironie goed gedocumenteerd is geraakt. Bovendien sprak hij met tal van tijdgenoten en vrienden, die ook apart getuigenis aflegden in Herinneringen aan kardinaal Alfrink, een bundel, die tien jaar na zijn dood in 1987, verscheen.

Van Schaik kent de clericale wereld van het Utrechtse aartsbisdom gedeeltelijk uit eigen ervaring. In zijn boek wordt deze wereld breed getekend. Alfrinks biografie is, misschien bij gebrek aan persoonlijke bronnen, vooral ook een geschiedenis in de breedte. Van Schaik blijft buiten de discussies in de vakwereld, zijn perspectief is dat van de kerkelijke historie. Hij vermeed de valkuil van de hagiografie, waarin het leven van een kerkvorst zo vaak is geëindigd. Integendeel, de scherpe waarneming en de hier en daar licht anticlericale ondertoon maken zijn werk tot een onderhoudende en niet te vergeten goed geschreven biografie.

Alfrink kwam uit Nijkerk op de Veluwe. Zijn voorganger, De Jong, was geboren op Ameland. Beiden hielden hun regionale afkomst allerminst verborgen, toen ze tot het hoge ambt geroepen werden, en ze zijn het besef van te behoren tot een minderheid ook nooit kwijtgeraakt. In het geval van Alfrink geldt, dat de rechtzinnigheid van zijn katholieke geloof vergelijkbaar was met de reformatorische orthodoxie op de Veluwe. Hier leverde de zo vaak benadrukte protestantisering van het Nederlandse katholicisme een fraai voorbeeld. De opleiding op de seminaries van het aartsbisdom was daarvan een bevestiging. Nergens blijkt, dat deze gesloten man enige moeite heeft gehad met het celibaat.

Hij heeft de distantie in zijn persoonlijkheid, de ironie die gevoeligheid verborg, niet van een vreemde. Zijn moeder is in het kraambed gestorven, toen Bernard een jaar was. Hij werd een tijdlang bij familie in Barneveld opgevoed voordat hij op zijn vijfde jaar bij zijn vader en diens tweede echtgenote in Nijkerk kon terugkeren. De priester Alfrink heeft de kinderlijke gevoelens van heimwee en eenzaamheid, die zo'n verplaatsing met zich meebracht, achteraf gebagatelliseerd, maar het is de vraag, aldus Van Schaik, in hoeverre 'iemand met zulk een cerebrale aanleg als onze hoofdpersoon in staat is deze psychische factoren te wegen'. Deze relativering paste wel in Alfrinks persoonlijke distantie, maar men kan er ook de onbeholpenheid in zien, die de verplicht ongehuwde levensstaat van rooms-katholieke geestelijken met zich meebracht. Men praatte niet over dergelijke persoonlijke onderwerpen; men blies deze weg in de rook van sigaren want er heerste een ware tabakscultuur in de seminaries en pastorieën.

Alfrink heeft al tijdens zijn opleiding persoonlijk kennis kunnen maken met het Romeinse machtswoord inzake geloof en zeden. In 1924 werd hij, de beste van zijn jaargang, door zijn superieuren uitgekozen om in Rome bijbelwetenschap te studeren. Dat betekende dat hij zich moest begeven in een sector van de katholieke theologie waar meer dan elders strijd werd gevoerd tegen het modernisme. De studie van de bijbel was vooral aan de protestantse faculteiten verbeterd door nieuwe methoden van literaire en historische kritiek en door archeologisch onderzoek. Tegen deze nieuwe inzichten hadden paus Pius X met een encycliek en zijn conservatieve helpers met een ketterjacht onder katholieke exegeten zich te weer gesteld.

Toen Alfrink in Rome ging studeren, was die strijd enigszins uitgewoed. Maar toen hij in 1929 zijn proefschrift presenteerde, over de Babylonische en Israelitische voorstellingen van het leven na de dood, werd het als strijdig met de katholieke leer afgewezen. In Nederland mocht hij werken aan een nieuwe versie, die hij in 1930 verdedigde tegenover een commissie die interne meningsverschillen over het hoofd van de promovendus uitvocht. De kandidaat promoveerde zonder enige loffelijke vermelding op een proefschrift dat in overeenstemming was met de wetenschap en de leer. Alfrink zal er een levenslange distantie ten opzichte van de pauselijke Curie aan overhouden. Daar ligt ook het jeugdige begin van zijn betrekkelijke progressiviteit; zeker niet in de leer of zelfs niet in de verering van het Romeinse, maar in een (bijna reformatorisch) wantrouwen tegen het centralisme van het Vaticaan.

Het Tweede Vaticaanse Concilie, dat in 1959 werd aangekondigd door paus Johannes XXIII, bracht de aartsbisschop van Utrecht aanvankelijk eerder twijfel dan bewogenheid. Alfrink werd in 1960 tot kardinaal benoemd. Pas daarna kwam zijn positie in een stroomversnelling. Hij werd lid van de commissie van voorbereiding en gekozen in het tienkoppige presidium, dat tijdens de eerste zitting van het Concilie in oktober 1962 slag leverde met de Curie om een vrije discussie mogelijk te maken. Alfrink groeide in zijn rol en werd door zijn pleitreden voor een collegiaal bestuur van paus en bisschoppen een geducht tegenspeler van de Vaticaanse centralisten. Hij kon putten uit zijn Romeinse studie-ervaringen, zijn talenkennis en een expertise in de bijbel en de kerkgeschiedenis, die hem trouwens voor een deel door bekwame adviseurs uit Nederland werd aangereikt.

Bevlogenheid was hem vreemd. De vrijheid die hij voor zichzelf en voor anderen creëert, is in de eerste plaats intellectuele vrijheid; een dialoog over aanpassing en vernieuwing in wat voor hem in wezen een kerkelijke continuïteit was. Alfrink was een ambtsdrager, die van gezag hield en decorum. Hij stond erop, dat men de gewoonte zou handhaven de ring van de bisschop te kussen en hij hield het in zijn paleis aan de Maliebaan ook doelbewust voornaam en ongezellig. Dat hij in de culturele stroomversnelling van de jaren zestig tot zo'n formidabele autoriteit kon uitgroeien, dankt hij aan zijn wetenschappelijke vorming en cerebrale instelling. Om die reden verkeerde hij ook in nauwelijks verborgen conflict met de Bossche bisschop Bekkers, aan wie in zijn pleidooi voor modernisering alle afstandelijkheid vreemd was.

In 1974 was het de socialist Joop den Uyl zelf, die hem bij zijn vijftigjarig priesterjubileum als minister-president het grootkruis Nederlandse Leeuw wilde uitreiken. Bij die gelegenheid noemde hij de aartsbisschop een figuur van nationale betekenis. Het feit dat Alfrink tien jaar eerder de gemoederen in het protestantse Nederland had opgewonden door zijn besluit om prinses Irene in Rome over te dopen (ter voorbereiding op haar huwelijk met een Bourbon) leek op de achtergrond te zijn geraakt. De biograaf maakt duidelijk, dat dit affront aan de Hervormde Kerk wellicht had kunnen worden voorkomen, indien de kardinaal gegevens over Irene's eerste doop had kunnen verkrijgen uit contact met Soestdijk. Maar met het Koninklijk Huis waren de betrekkingen kennelijk nog te formeel voor zulke directe raadpleging. Bovendien stak het Alfrink, dat hij als kardinaal bij de begrafenis van Wilhelmina niet op de eerste rij had mogen zitten, ofschoon hij daartoe protocollair gerechtigd zou zijn geweest.

In 1976 kreeg hij, voordat de afscheidsbrief van de 75-jarige in Rome was gearriveerd, de ontslagbrief van de Curie al vooruitgesneld thuis bezorgd. In zijn nadagen in Huis ter Heide werd de kardinaal niet alleen beschouwelijker maar ook open. Voor de hervormde predikant Albert van den Heuvel, die in de Herinneringen de balans opmaakt, was hij de man die 'een aantal van ons leerde om het geloof vast te houden, dat wil zeggen het vertrouwen op het Rijk Gods niet los te laten'. Michel van der Plas leerde een gelouterde Alfrink kennen, die, nu hij niet meer behoefte te beantwoorden aan de eisen van voornaamheid, warm werd en hartelijk. 'Dikwijls verschijnt hij mij, zoals hij in de vallende avond, met een zacht geworden stem, waarover als het ware een floers getrokken was van beschouwende liefde, verenigd met het evangelie, spreekt over de uitersten.'

In 1985 werd de aartsbisschop voor het laatst in het openbaar gezien, toen paus Johannes Paulus II hem voor het oog van de televisiecamera in zijn bungalow kwam bezoeken. Alfrink heeft dit gebaar hoger gewaardeerd dan de realiteit hem kon toestaan. Als Vaticaans eerherstel was deze geïmproviseerde visite niet bedoeld. Alfrink is van Nederland; een gelovig regent, van nature conservatief maar realist in het hoeden van moderne ontwikkelingen.