Wespennest

“DE CRISIS begint nu pas echt”, profeteerde de Groningse hoogleraar staatsrecht Elzinga in de Staatscourant na afloop van de parlementaire enquête Opsporingsmethoden, begin 1996. Dit stormsignaal sloeg niet op de dubieuze politietrucs en de gaten in de wetgeving die Van Traa cum suis aan het licht hadden gebracht, hoe ernstig op zichzelf ook.

Het werkelijke crisismoment lag in de analyse van de staatsrechtsgeleerde in het gebleken gebrek aan inzicht en controle van de verantwoordelijke bestuurders en ambtenaren. Of preciezer: in het besluit van minister Sorgdrager (Justitie) daaraan gevolgen voor de betrokkenen te verbinden.

Zoiets kan alleen maar terugslaan op een bewindspersoon zelf, waarschuwde Elzinga: “Ambtelijke zuivering geeft aan dat de minister ook onder de huidige verhoudingen niet kan vertrouwen op haar ambtenaren.” We weten wat er in de IRT-affaire volgde: de door de enquêtecommissie in de schijnwerper gezette magistraten (en politiechefs) bleken opmerkelijk zetelvast. Daarmee was de crisis echter niet over, maar werd wel bijgedragen aan een voortwoekerende scepsis over de top van het veiligheidsapparaat. Deze dreigt nu pas goed naar de oppervlakte door te breken in het geval van 'Groningen' naar aanleiding van de oudejaarsrellen.

OPENBARE ORDE en opsporingsmethoden zijn dogmatisch gezien twee verschillende gebieden. Het verbindend element is de voortwoekerende gezagscrisis. Een uitgelekt rapport over de zaak-Lancée (de ten onrechte van seksueel misbruik verdachte en daarna op spectaculaire wijze gearresteerde politiechef van Schiermonnikoog) heeft in Groningen de rol van katalysator vervuld. Nu blijkt dat procureur-generaal Steenhuis, binnen wiens ressort het Groningse wespennest ligt, een betaalde adviseursfunctie vervult bij het adviesbureau Bakkenist dat het onderzoek heeft uitgevoerd.

Het kan in het midden blijven of het op de weg van het adviesbureau dan wel van zijn adviseur had gelegen de relatie tijdig te melden. Hoofdzaak is dat het resultaat een regelrechte aanslag vormt op het publieke vertrouwen in het openbaar gezag. Het kan zijn dat Steenhuis zijn nevenfunctie naar behoren heeft geregistreerd en dat deze op zichzelf past bij zijn vroegere carrière als (beleids)wetenschapper. Als topman van het openbaar ministerie is hij echter nauw betrokken bij een reorganisatie die het afstandelijke karakter van deze diensttak nu juist ter discussie stelt. Een betaald adviseurschap bij een organisatiebureau valt daarmee niet te verenigen. Een procureur-generaal kan slechts één werkgever en één belang dienen, het algemeen belang. Dat hij daarop gewezen moet worden is beschamend.

HET EXCUUS VAN “een black out”, zoals fractievoorzitter De Graaf van D66 gisteravond op de televisie opperde, is mager. Als wetenschappelijk onderzoeker in een vorig leven naar verkeersdelicten zal Steenhuis de betrekkelijkheid van een dergelijke verontschuldiging moeten onderkennen.