Turkije emancipeert in snel tempo

Cultuurhistorische bezwaren tegen het Turkse lidmaatschap van de EU zijn psychologisch gevaarlijk en politiek onhandig, vindt J.J. Jonker Roelants.

Met zijn cultuurhistorisch betoog dat Turkije niet tot Europa behoort (23 december) bevindt Thomas von der Dunk zich in vooraanstaand gezelschap. Aan de vooravond van de top van Amsterdam gaven de zes christen-democratische leiders een verklaring af dat het islamitische Turkije niet bij de Unie hoort. Ook VVD-leider Bolkestein uitte zich verschillende malen in deze zin.

In Turkije worden deze opvattingen gezien als de eigenlijke reden waarom Europa de deur dicht houdt. Maar afgezien van hun intrinsieke waarde zijn dit soort cultuur-historische argumenten psychologisch gevaarlijk. Zij laten geen compromissen toe en ze zijn politiek onhandig omdat zij tegenstellingen onnodig aanscherpen. Het Turkse verwijt van een kruisvaardersmentaliteit is dan ook veelbetekenend: de kruistochten hebben volgens de historicus Lord Runciman onherstelbare schade veroorzaakt aan de relaties tussen de christenen en moslims.

Von der Dunk denkt dat Turkije niet de door het Westen gewenste hervormingen tot een democratische rechtsstaat kan doorvoeren omdat dat de weg zou vrijmaken voor de politieke islam, die vervolgens met de democratie korte metten zou maken. Maar de politieke islam als bedreiging van de democratie in Turkije veronderstelt dat deze een politiek gewicht heeft die ze in Turkije niet heeft. De Welzijnspartij heeft traditioneel slechts tien procent van de stemmen. Door de economische malaise van de laatste jaren is dit toegenomen tot bijna 25 procent, maar dat zegt meer over de ongelijkheid van inkomens, dan over de kracht van de politieke islam. Twintig procent van de Turken zijn Aleviten die niets van een totalitaire islam willen weten.

Ter ondersteuning van zijn conclusie dat Turkije niet aan werkelijke democratie toe is, wijst Von der Dunk nog op de strijd tegen de Koerdische PKK. Toegeven aan de volkswil, volgens de schrijver de consequentie van democratie, zou kunnen leiden tot een deling van het land.

Nog afgezien van de vraag of de PKK de (Koerdische) volkswil belichaamt, is dit een curieuze rechtvaardiging van het harde Turkse optreden tegen de Koerden. Voor Turkije gelden ook hier kennelijk andere maatstaven dan voor de 'beschaafde' Europese wereld. Ik neem althans niet aan dat Von der Dunk een overeenkomstig optreden tegen de Basken zou goedpraten.

Niet minder opmerkelijk is zijn vaststelling dat het Westen met zo'n deling nog wel kan leven. Hij is kennelijk vergeten dat de Amerikanen in de Golfoorlog niet met Saddam Hussein hebben afgerekend om te voorkomen dat het land uiteenvalt in Koerdische en andere entiteiten. Het is de tragiek van de Koerden dat zij in een olierijk gebied leven dat verdeeld is over drie staten. Een eigen Koerdische staat zou het wankele regionale evenwicht verstoren.

Naast het argument dat de democratie alleen kan worden gehandhaafd met ondemocratische middelen, voert de schrijver de Europese cultuurhistorie aan om te laten zien dat Turkije niet tot het Westen kán horen: de Renaissance, Verlichting, scheiding tussen kerk en staat en de Franse Revolutie zijn aan de Turken immers voorbijgegaan.

De auteur doet het zo voorkomen dat de hervormingen van Atatürk uit het niets zijn ontstaan. Meer kennis van Turkse zaken leert dat de hervomingen van Atatürk het verlengstuk waren van een ontwikkeling die al meer dan honderd jaar eerder was begonnen met Tanzimat, een periode waarin gelijkheid voor de wet en garanties voor leven, eer en bezit, secularisering van onderwijs en beperking van de shari'a tot het familierecht tot stand kwamen. Al eerder had sultan Mahmut II de conservatieve geestelijkheid onder staatscontrole gebracht.

Het secularisme in het onderwijs en de wetgeving in Turkije zijn niet iets van de moderne tijd, maar hebben een respectabele geschiedenis. Anders echter dan in Europa zijn de hervormingen in Turkije, zoals Von der Dunk ook zegt, steeds door een kleine elite gedragen en gingen zij grotendeels voorbij aan de massa van het volk. Dit was niet zozeer het gevolg van de afwezigheid van de Europese beschaving als wel van de afzijdigheid van de merendeels christelijke middenklasse.

Het autoritaire karakter van de hervormingen is echter geen argument om de Turken voor te houden dat zij nog minstens een halve eeuw naar school moeten voordat zij rijp zijn voor het Europese toelatingsexamen. Deze visie miskent de snelheid waarmee in de huidige tijd 'onze' normen en waarden zich verbreiden. Satellieten, goederen en geldstromen, toerisme en migratie hebben de wereld met een fijnmazig netwerk omspannen waardoor steeds minder plaats is voor traditionele culturen en leefwijzen en Westerse normen en waarden universele gelding hebben gekregen. Geen dictator waar ter wereld ook durft zich publiekelijk uit te spreken tegen democratie en mensenrechten. Een machtig leger en een alomtegenwoordige geheime dienst hebben de val van het Sovjetrijk niet kunnen voorkomen.

Ook het driekwart eeuw oude Atatürkse stelsel zal de eisen van de moderniteit niet overleven. De Turkse maatschappij emancipeert in snel tempo. Deze wordt steeds pluriformer zoals de ontwikkeling van de politieke islam en de Koerdenkwestie illustreren. Het huidige regime, dat beter geëquipeerd is voor repressie dan voor dialoog, staat daar vrijwel machteloos tegenover. Politiek onmachtig en zwaar aangetast door grootschalige corruptie en mafiose connecties heeft het regime vrijwel alle vertrouwen verloren.

Niet de leerling, maar de leraar moet worden opgevoed. Daarin zie ik ook een belangrijke reden voor toelating van Turkije tot de Unie. Sterkere banden met Europa zullen het maatschappelijke emancipatie-proces versnellen. Dat zal op den duur tot een werkelijke democratie leiden, de beste basis voor een duurzaam bondgenootschap met een land dat van cruciaal belang is voor het Westen.