Rokende mannen gaan voor

Een man met grijs stoppelhaar en een schapenwollen trui stapt het winkeltje binnen. Beleefd mompelt hij een groet. Het gesprek tussen Corry en de oudere dame die roomfondantjes wilde, valt stil. Nieuwsgierig monsteren ze de man. “Zeg het maar”, zegt Corry dan minzaam en trekt haar witte schort recht.

De man is kennelijk niet op de hoogte van de alhier geldende huisregel. Verbaasd tikt hij met zijn wijsvinger tegen zijn gebreide borst. Hij?? “Ja”, knikt Corry bemoedigend, “wat mag het zijn?” Verward werpt de man een blik in mijn richting. Ik ken de ongeschreven wet al sinds mijn vroegste jeugd, en knik eveneens. “Mannen gaan hier vóór”, verduidelijkt de oudere dame die Jo heet. En ze gaat er eens goed voor staan.

De man is nu geheel en al van zijn apropos gebracht. Niettemin legt hij, aangemoedigd door de welwillende blikken allerwegen, een muntstuk op de bekraste glasplaat van de snoepvitrine. En doet aarzelend zijn bestelling: voor vijf gulden kersenbonbons.

Dit slaat in als een bom, want het druist in tegen alle bestaande wetten, geschreven en ongeschreven. “Kersenbonbons?” krijten de dames. Kersenbonbons! Ja hallo, maar dat was niet de bedoeling! “Tjonge jonge”, Corry schudt heftig haar hoofd: “Kersenbonbons!”

Verwilderd kijkt de man van de een naar de ander. “Nou Jo, je hebt het ook niet goed gezegd”, foetert Corry. “Rókende mannen gaan voor.” Toch pakt ze de voorraadbus waarin bordeauxrode wikkels vrolijk blinken. De dames hervatten hun gesprek. De man kijkt strak naar de grond. En als die zich maar niet openen wil, staart hij vertwijfeld naar de potjes plaksel op het schap. En naar het assortiment haarspeldjes op de kartonnen kaart. Corry weegt 250 gram kersenbonbons af en doet zorgvuldig een plakbandje om de hals van het zakje. Als een dief in de nacht gaat de man er vandoor. “Wie was dat?”, vragen Corry en Jo als één vrouw. “Niemand uit het dorp”, weet Corry. “Heel zeker niet”, zegt Jo.

Het winkeltje ligt aan het kerkplein, hoog op de oevers van de Maas. Het meet drie bij drie meter en wordt al sinds mensenheugenis bestierd door de gezusters Corry en Mimi (voor intimi Cor & Miem). Het is moeilijk te zeggen hoe oud ze zijn. Heel oud, dat staat vast. Zoiets als Sinterklaas, denk ik. En wat hun lengte betreft, die is evenredig aan de afmetingen van het nerinkje, krap anderhalve meter.

De oude, houten snoepvitrine staat centraal in die negen vierkante meter. En in menig kinderleven. Het aanbod is kolossaal. Op de grond en ook tegen de wanden liggen de suikerwaren hoog opgetast, in blikken, bakken en bussen, benevens de rook- en papierwaren. Het raam biedt allang geen uitzicht meer.

Speciale vermelding verdient zeker ook het voorraadkamertje, het magazijn zogezegd. Kleiner dan de winkel is het en zo volgestouwd met waren dat je je er slechts schuifelend en met gevaar voor eigen leven kunt voortbewegen. Het komt wel voor dat een mevrouw een reep chocolade wenst van Franse origine. Puur. Bedachtzaam krabt Corry eens achter haar oor. Ah, haar blik licht op. En ze komt al achter de toonbank vandaan. Haastig roept de mevrouw dat een ander merk ook goed is. Nog veel beter eigenlijk! “Nee, nee”, zegt Corry koppig. En minutenlang komen er uit het voorraadkamertje geluiden die het ergste doen vrezen: schuivende dozen, ratelende blikken, gemopper, een kreunende ladder, een vallend schroefdeksel. Net wanneer je denkt dat de reddingsbrigade welhaast moet aantreden, schuifelt Corry tevreden met de juiste reep tevoorschijn. De klant is koning en dat zal die weten ook.

Toch denkt Mimi er wel eens over de winkel te sluiten. “We zijn er oud genoeg voor”, zegt ze. Wat absoluut waar is. Maar Corry wil niet. Goddank. Corry wil toverballen en Bic-pennen verkopen tot in lengte van dagen. En gezellig een praatje maken met de klandizie.

Wat zou het dorp ook zijn zonder het winkeltje, daar in de schaduw van de kerk? Je houdt je hart vast bij de gedachte alleen al. En waar moeten al die rokende mannen naartoe?!

De oudere dame genaamd Jo heeft haar boodschappenlijstje afgewerkt en mag nog een rumboon uitkiezen. Dan is het mijn beurt. Maar wacht, daar stapt een roker het winkeltje binnen. “Hetzelfde?”, vraagt Corry. De man knikt en steekt zijn hand al uit naar de shag met vloei. Exit roker. Waarna Corry de kosten opschrijft in een dik schrift, want dat doen ze hier nog, opschrijven. Soms zegt ze: “Onthou het zelf maar.”

De prangende vraag dringt zich op: en de rokende vrouwen dan? Hebben die geen voorrang? Dat is gauw verklaard. Daar waar de rokende man volstaat met de aanschaf van sec twee pakjes sigaretten, koopt de rokende vrouw naast sigaretten nog een aansteker, een ansichtkaart met de Hartelijke Groeten uit dit dorp, een half pond Engelse drop, en twee rode haarspelden (“...of toch maar de gele”). En doe ook maar zo'n busje Wycam's borstbollen. Kijk, dat schiet niet op. En treedt er een andere wet in werking, die van op je beurt wachten.

Ik heb intussen koekjes uitgezocht. En CorIy haalt een pakketje witte enveloppen van het schap. “Je mag de helft terugbrengen, hoor.” Want ze vermoedt dat het aantal van vijfentwintig enveloppen wat veel is voor mij. Als ik afreken, krijg ik tien cent korting omdat ik geen zegeltjes spaar. En of ik een lekker zachte caramel wil. Een kersenbonbon mag ook. Nou, zo'n karamel wil er wel in. Over de glasplaat van het houten vitrinekastje schuift ze me nog drie lollies toe. “Voor de kinderen”, zegt ze en strijkt een witte lok uit haar gezicht.

Met een licht gemoed verlaat ik het winkelpandje. Natuurlijk, Corry en Mimi zijn en blijven. Zeker weten. De eeuwwisseling wordt ruimschoots gehaald. En sterker nog, áltijd Corry en Mimi, tot het einde der tijden.