Publiek debat over Europa wordt ten onrechte niet gevoerd

Het Verdrag van Amsterdam wordt hoogstwaarschijnlijk zonder problemen geratificeerd. Het kabinet staat niet voor de keuze die de Franse regering moet maken: een referendum over het verdrag of de grondwet wijzigen. Makkelijk voor het kabinet, maar volgens Herman Philipse een vloek voor de democratie.

Op de laatste dag van 1997 publiceerde de Franse Constitutionele Raad een beslissing die ingewijden al hadden verwacht: de ratificatie van het Verdrag van Amsterdam vereist een herziening van de Franse grondwet van 1958. Volgens de raad zijn de omvang en de wijze van overdracht van nationale bevoegdheden aan de internationale organen van de Europese Unie zodanig dat essentiële voorwaarden voor het uitoefenen van de soevereiniteit erdoor gewijzigd kunnen worden. De regering-Jospin staat voor een dilemma. Ze moet ofwel een referendum houden, wat na de ervaringen van 1992 naar aanleiding van Maastricht een weinig aanlokkelijk perspectief is, ofwel een grondwetswijziging entameren via een buitengewone zitting van beide kamers van het parlement.

De Nederlandse regering hoeft zo'n keuze niet te maken. Nederland kent geen referendum en het parlement beslist over de verenigbaarheid van verdragen met de Grondwet, gehoord het advies van de Raad van State. Nederland zal het Verdrag van Amsterdam waarschijnlijk zonder al te veel parlementaire discussie ratificeren. De mogelijkheid dat het Verdrag in strijd zou kunnen zijn met de Grondwet, is te onzent nog niet besproken. Maar wat een zegen is voor de Nederlandse regering, zou een vloek kunnen zijn voor de Nederlandse democratie. In Le Monde van 7 januari pleit Jan Krauze voor een Frans debat over Europa dat, zo hoopt hij, gestimuleerd zal worden door een referendum. Een dergelijk debat is in Nederland nog nauwelijks van de grond gekomen en de politieke elite lijkt het overbodig of zelfs schadelijk te achten. Afgezien van bijdragen door Bolkestein, Brinkhorst, Fortuyn, Heldring en Stevens waren de belangwekkendste artikelen over Europa in de vaderlandse pers van buitenlanders, zoals de Amerikaans-Hongaarse financier en filantroop George Soros.

Toch is de constructie van Europa voor Nederland een der belangrijkste politieke uitdagingen van de komende 25 jaar. Er staan immense belangen op het spel en een publieke discussie over Europa had al lang geleden moeten beginnen. Het gaat dan niet om ondergeschikte kwesties zoals de vraag of onze landgenoot Duisenberg danwel de Fransman Jean-Claude Trichet directeur zal worden van de Europese Centrale Bank. Ook gaat het niet primair over de vraag welke landen begin mei worden toegelaten tot de eerste ronde van de euro. Over drie thema's moet een publiek debat beginnen, een debat dat men niet kan overlaten aan technocraten, ofschoon hun bijdrage onmisbaar is.

In de eerste plaats zou men grondig moeten nadenken over de mogelijke financiële consequenties van de gemeenschappelijke munt op de lange termijn. Momenteel voldoen alleen Luxemburg, Denemarken, Finland, Ierland en Nederland zonder al te veel kunst- en vliegwerk aan de vijf criteria betreffende begrotingstekort, staatsschuld, inflatie, kapitaalmarktrente en wisselkoers. Landen zoals Frankrijk, Italië en zelfs Duitsland zijn geneigd hun economische problemen door creatief boekhouden te verhullen en de noodzakelijke aanpassingen van het economische beleid voor zich uit te schuiven. Na het invoeren van de euro zal waarschijnlijk een inflatoire druk ontstaan ten gevolge van staatsschulden, de hoge werkloosheid - in Frankrijk kunnen zelfs werklozen staken en de regering dwingen tot inflatoire concessies - en het probleem van de vergrijzing. Terwijl Nederland overwegend een spaarsysteem voor pensioenen kent, prevaleert in Frankrijk en Italië het omslagstelsel. Hoe zal de Nederlandse burger over Europa denken wanneer zijn gespaarde pensioentegoeden drastisch in waarde verminderen doordat men elders niet heeft gespaard en het probleem van de vergrijzing oplost door maatregelen die de euro verzwakken?

Voorstanders van de euro zullen beweren dat dit gevaar is uitgesloten door het in 1996 te Dublin gesloten stabiliteitspact, waardoor de nationale autonomie bij monetaire en begrotingspolitiek aan banden wordt gelegd. Dit argument voert tot het tweede thema waarover discussie geboden is: de institutionele zwakte van de Europese Unie. Het welslagen van de euro vraagt om een gemeenschappelijke economische politiek van de participerende lidstaten en zo'n politiek is moeilijk denkbaar zonder een krachtige federale regering. De vierschaar van Raden van ministers, Raad van regeringsleiders, Europese Commissie en Europees Parlement kan deze functie nauwelijks vervullen en de democratische controle door het Europese Parlement is een farce. De euro is een novum in de wereldgeschiedenis. Nog nooit is een gemeenschappelijke munt ingevoerd zonder een voorafgaande centrale staat. Enerzijds loopt men dus met de invoering van de euro vooruit op een federaal Europa; anderzijds is het meer en meer duidelijk dat niemand, behalve misschien bondskanselier Kohl, een dergelijk federaal Europa op afzienbare termijn wenst.

Ten derde wordt het tijd te discussiëren over de culturele factor. Iedereen die langere tijd in verscheidene Europese landen heeft gewoond zal weten dat de verschillen in normen, waarden en cultureel gevormde gedragspatronen veel groter en hardnekkiger zijn dan men op het eerste gezicht zou denken. Het merendeel van de bevolking heeft nauwelijks kennis van deze verschillen. Een verdere integratie van Europa en een convergente economische politiek vereisen dat de Europese volkeren elkaar niet alleen beter leren kennen, maar ook eensgezindheid ontwikkelen over allerlei normen en waarden. Men vergelijke bijvoorbeeld de belastingmoraal in België of Griekenland eens met de Nederlandse. Op dit punt moeten we waken voor optimisme, want waar het om normen en waarden gaat is de mentale inertie van de mens het grootst: de culturele identiteit staat dan op het spel. Wellicht zou het verstandig zijn de invoering van de euro vijftien jaar uit te stellen. In de tussenliggende tijd kan blijken of de lidstaten ook op langere termijn in staat zijn tot een convergerende economische politiek en de europolitici zouden een overtuigende visie moeten ontwerpen over een democratische constructie van Europa.

Genoeg stof dus voor discussie, maar het is onduidelijk wie een publiek debat over Europa werkelijk op gang zal brengen. In de eerste plaats is dit een taak voor de politieke partijen en hun denktanks. Helaas is het schrijven van artikelen en boeken bij Nederlandse politici onpopulair, zodat we van het politieke front weinig origineel denkwerk kunnen verwachten.

Zullen de Nederlandse universiteiten dan het voortouw nemen? In een goed functionerende democratie zouden universiteiten behalve instituties van onderwijs en onderzoek ook een vrijplaats moeten zijn voor reflectie en discussie over belangrijke onderwerpen zoals de constructie van Europa. Maar de jaarlijks terugkerende bezuinigingsrondes en de steeds toenemende concurrentie tussen onderzoekers maken het onwaarschijnlijk dat aan universiteiten geld en tijd wordt vrijgemaakt om een publiek debat van voldoende omvang en duurzaamheid te organiseren. Onderzoekers graven zich in hun vakspecialismen in teneinde de bezuinigingen te overleven. Het wachten is dus op een Nederlandse evenknie van George Soros die over voldoende idealisme en geld beschikt om de broodnodige discussie over Europa te doen oplaaien. Want Soros heeft gelijk: zonder een bezielende conceptie van een verenigd en democratisch Europa zullen de bevolkingen waarschijnlijk niet bereid zijn de mogelijke nadelen van verdere eenwording op de koop toe te nemen.