Ook Fred Brommet zelf ziet voor het eerst in dertig jaar zijn foto'; Herinneringen aan voorbij Parijs

Door de revolutie in Parijs in mei 1968 werd de in die stad werkende Groningse fotograaf Fred Brommet een ex-fotograaf. Aldaar een vermaard fotograaf voor tijdschriften en modehuizen, kreeg hij, terug in Nederland, geen werk. Zijn werk gooide hij weg, op de negatieven na die zijn vrouw bewaarde. Het Maria Austria Instituut dook nu op wat er over is van zijn foto's en in Groningen krijgt Brommet een tentoonstelling.

Tentoonstelling: Fred Brommet: Tableaux Parisiens. Noorderlicht Fotogalerie, Munnekeholm 10, Groningen. 30/1 t/m 4/3, ma t/m vrij 10-21u.

AMSTERDAM, 15 JAN. Fotograaf Fred Brommet geeft het grif toe. Had het Maria Austria Instituut (MAI) fotoarchief in 1993 geen contact met hem opgenomen, dan waren zijn oude negatieven misschien wel nooit onder het stof vandaan gekomen. Hij had al heel wat weggegooid: reclamewerk, modefoto's, de culinaire foto's waarmee hij in zijn Parijse jaren de nodige faam verwierf. “Je kunt niet altijd je hele verleden mee blijven slepen”, zegt de inmiddels 73-jarige ex-fotograaf.

Helemaal onvoorstelbaar is Brommets houding niet. Tenslotte heeft hij nauwelijks nog een camera aangeraakt sinds hij in het najaar van 1968 uit Parijs naar Nederland terugkeerde. Zijn studio lag na de revolutie van mei '68 enkele maanden stil, net als de rest van het reguliere Franse culturele leven. “Die maanden kostten me de kop. Van twintig jaar werk was in no time niks meer over.”

Brommet wilde oorspronkelijk binnenhuisarchitect worden, maar moest zijn studie aan de Kunstnijverheidsschool (de latere Rietveldacademie) door de oorlog afbreken. Hij trok in 1947 naar Parijs met de bedoeling er de Fotovakschool te volgen. Van dat plan zou weinig terecht komen. In Parijs ontmoette hij de zwarte Amerikaanse fotojournalist Gordon Parks, die hem een baantje bezorgde als persfotograaf voor de Hearst Press. Daarna had hij geen zin meer in de opleiding.

Gaandeweg ging hij zich toeleggen op de modefotografie; er was veel vraag naar terwijl er maar een handjevol fotografen was. Bijkomend voordeel was dat hij niet per sé een eigen studio nodig had. Brommet: “Parijs was nog een lege stad. Alles kon op straat gedaan worden. Zo werd de couleur locale meteen mooi meegenomen. De modellen kleedden zich om in de toiletten of in het struikgewas.”

Pas in 1958 vond hij een vaste stek aan de Rue Fontaine, met uitzicht op de Moulin Rouge. Zijn benedenbuurman was de surrealist André Breton. “Jarenlang hebben we de afspraak gehad dat ik zijn portret zou maken. Maar de ene week kon hij niet, de volgende week kon ik niet. Dat is acht jaar lang zo gegaan, tot zijn dood in 1966. Het portret is nooit gemaakt.”

Terug in Nederland kon Brommet in zijn vak geen emplooi meer vinden, ontdekte hij. “De art directors waren bang voor een fotograaf uit het grote Parijs.” Immers, hij had de collecties van Dior, Ricci en Cardin gefotografeerd, foto's die, behalve in Margriet en Libelle, waren gepubliceerd in de Duitse Die Woche, de Italiaanse Marie Claire, in Amerikaanse Womans Wear Daily. Brommet: “Zo iemand was vast veeleisend, dachten ze en dat konden ze niet gebruiken.”

Om aan de kost te komen begon hij samen met zijn vrouw in Amsterdam maar een handeltje in Franse meubelen, en later een winkel in designartikelen. De fotografie hield hij voor gezien.

Dankzij het MAI wordt de stilte nu doorbroken. Afgelopen maandag presenteerde het archief Brommets werk met het boekje Tableaux Parisiens, jammer genoeg een relatiegeschenk en niet in de boekhandel verkrijgbaar. Maar eind deze maand opent er een tentoonstelling in de Noorderlicht Fotogalerie in Groningen, Brommets geboorteplaats.

De tentoonstelling bevat een restantje van zijn modefoto's (een bontje en een voile tegen de achtergrond van een verlaten straat, een koket hoedje op een Parijs terras), enkele theaterportretten (Maurice Chevalier, een duistere Orson Welles) en balletfoto's, vooral gemaakt in de Opéra van Parijs waar hij vijf jaar lang kind aan huis was. Maar er zijn vooral veel alledaagse straattaferelen te zien: kinderen op een draaimolen, het publiek op Quatorze Juillet, vermoeide bejaarden op een stenen bankje, het handelsrumoer rond straatkarren - foto's die op het eerste gezicht onmiskenbaar Frans aandoen.

'Blond' noemt Brommet die foto's, in de door Philip Freriks geschreven inleiding van het boekje. Het heeft te maken met de sierlijkheid van het licht, de terloopse gebaren, de onnadrukkelijkheid van het moment, met de melancholie misschien. Dat deze foto's wél bewaard zijn gebleven is vooral te danken aan Brommets vrouw Marceline (ze leerden elkaar in 1952 kennen toen zij reageerde op zijn annonce voor een studio-assistente). Zij was het die de negatieven uitknipte tussen de opdrachtfoto's ervoor en erna, en ze bewaarde in een kartonnen doos. Ook voor de fotograaf zelf waren de straattaferelen een verrassing. “Ach, hoe dat ging. Ik was op mijn brommertje op weg naar een opdracht en dan dacht ik: “kijk, een foto.”

Het leven is voor hem altijd meer geweest dan fotografie, maar heeft het Brommet wel eens gespeten dat hij na 1968 geen foto meer gemaakt heeft? Een beetje: “Maar ik ben nadien niet stil blijven staan. Tenslotte haal je ook als fotograaf je inspiratie niet enkel uit de fotografie.”