JAN WILLEM LOOT; Muziekdiplomaat

AMSTERDAM, 15 JAN. Jan Willem Loot, die gisteravond werd benoemd tot algemeen directeur van het Koninklijk Concertgebouworkest, had tot nu toe diezelfde functie bij het Nederlands Philharmonisch Orkest. Het is met twee formaties - een symfonie-orkest en een kamerorkest - buiten het Muziekcentrum van de Omroep de omvangrijkste muziekorganisatie van het land.

Loot leidde het NedPho intern als een capabel en rechtlijnig manager en praktizeerde naar buiten toe de stijl van de stille diplomatie, ook bij de vele problemen die NedPho-chef Hartmut Haenchen had met zijn positie bij de Nederlandse Opera.

Loots onopvallendheid contrasteert met de extravertheid van zijn voorganger bij het Concertgebouworkest. De Amerikaans opgeleide pianist en marketingman Wijnbergen spreekt de internationale taal en ziet zijn nieuwe baan in Los Angeles als “een management challenge in a boss-driven organisation.”

Sinds 1971 was Loot, in Groningen afgestudeerd in de rechten en een amateur-cellist, directeur van het toenmalige Overijssels Philharmonisch Orkest. In 1979 werd hij directeur van het voormalige Amsterdams Philharmonisch Orkest. Loot kwam bij het Nederlands Philharmonisch Orkest aan het bewind in de moeilijke begintijd, toen het orkest net was ontstaan uit een fusie tussen het Amsterdams Philharmonisch Orkest, het Utrechts Symphonie Orkest en het Nederlands Kamerorkest. Het orkest was vooral opgezet als vaste begeleider van de voorstellingen van de Nederlandse Opera in het Amsterdamse Muziektheater, dat toen nog in aanbouw was. Alle fusiepartners hadden tevoren heftig geopponeerd tegen de samenvoeging. Toen die toch doorging moest het orkest tegelijkertijd een nieuwe enthousiaste start maken, een hoognodige kwaliteitsverbetering realiseren en een forse personele reductie doorvoeren. Bovendien nam chef-dirigent Edo de Waart in 1985 al na één operavoorstelling teleurgesteld ontslag, omdat hij er geen vertrouwen in had. De Waart, die nu per september 1999 is aangesteld als chef-dirigent van de Nederlandse Opera, krijgt in die functie weer te maken met het Nederlands Philharmonisch Orkest, dat inmiddels door de jarenlange stugge inspanningen van Hartmut Haenchen én Jan Willem Loot respectabiliteit heeft verworven.

De kwaliteiten van het NedPho vallen overigens meer op in de bak van het Muziektheater dan op het eveneens gefrequenteerde podium van het Amsterdamse Concertgebouw. Daar lijkt de positie van het NedPho vergelijkbaar met die van C&A en V&D in de warenhuiswereld: keurig en netjes, maar ook flets en zonder de uitstraling van kwaliteit en persoonlijkheid.

De oorzaak is eerder een gebrek aan bevlogenheid bij de keuze van gastdirigenten dan bij de repetoirekeus. De middelmaat regeert daar veelal bij ontstentenis van serieuzere ambities en de opwindende uitdagingen van dirigenten van nog veel meer belang dan Haenchen. Het instandhouden en uitbouwen van de wereldroem van Concertgebouworkest zal Loot naast het nette beheer van lopende zaken dwingen tot veel meer artistieke verbeelding.