Geschiedenis; Het land van de niet ingeloste belofte

Zeeuwen veroverden in 1667 Suriname louter om wraak te nemen op de Engelsen. Frustraties speelden vaker een rol in de bewogen geschiedenis van het land van hele en halve staatsgrepen.

OP EEN VAN DE eerste kaarten waarop Suriname is te zien - van de Portugese cartograaf Ribeiro uit 1529 - staat geschreven dat er “niets van waarde” was aangetroffen. Zeevaarders lieten de met modderbanken bezaaide 'Wilde Kust' dan ook het liefst links ligggen. De Spanjaard Alonso de Ojeda, een metgezel van Columbus, was er in 1499 als eerste langs gezeild. Het gebied werd toen aangeduid als 'Guiana' wat mogelijk 'stromenland' betekent.

In de loop van de zestiende eeuw ontstond het vermoeden dat het 'goudland' waarover indianen aan de Spanjaarden hadden verteld, wel eens in Guiana zou kunnen liggen. De Engelsman sir Walter Ralegh, die al eerder op de Orinoco tevergeefs naar 'El Dorado' had gezocht, stuurde er in 1596 zijn kapitein Lawrence Keymis op af. Maar de vergulde stad Manoa en het meer van Parima zijn nooit gevonden.

Ook toen was Suriname al het land van de niet ingeloste belofte. De verovering in 1667 door de Zeeuwen was louter het gevolg van een wraakactie op de Engelsen. De West-Indische gouverneur-generaal sir Francis Willoughby moest boeten voor de verwoestingen die hij had laten aanrichten in Zeeuwse nederzettingen verderop aan de 'Wilde Kust'. Bij de Vrede van Breda viel Suriname ten slotte toe aan de Republiek. In ruil mochten de Engelsen het door hen veroverde Nieuw Amsterdam, het latere New York, behouden.

Suriname bleek voor de Zeeuwen geen al te gelukkig bezit. Het visioen van een 'nieuw Braziel', na de teloorgang van de Hollandse kolonie in Noordoost-Brazilië, was snel vervlogen. Bijna waren de blanke kolonisten door de indiaanse guerrilla zelfs geheel ten onder gegaan.

De Zeeuwen wilden dan ook van Suriname af. In 1683 kwam de kolonie voor 260.000 gulden in bezit van de West-Indische Compagnie, de stad Amsterdam en de edelman Van Aerssen van Sommelsdijck. Zij richtten hiertoe de Geoctroyeerde Sociëteit op om Suriname gezamenlijk te gaan exploiteren.

De Engelsen hadden een ontvolkte kolonie achtergelaten. Propagandistische pamfletten waarin Suriname werd afgeschilderd als het land waar het fortuin voor het oprapen lag, konden maar weinigen in de Republiek verlokken. Aspirant-kolonisten vonden het een veel te riskante onderneming. In Amsterdam moest zelfs worden uitgezien naar boeven uit de rasphuizen die in Suriname tot 'eerlicke luyden' zouden worden gemaakt. Ook avonturiers en gelukzoekers waagden het erop.

De immigranten kwamen lang niet allemaal uit Nederland, ook Franse hugenoten en Duitsers gingen naar Suriname. De meest serieuze kolonisten waren Portugese en Spaanse joden, van wie velen op de vlucht voor de inquisitie al eerder naar de Nieuwe Wereld waren getrokken. De joodse planters hadden grote kennis van de suikerrietcultuur. Hun nakomelingen spelen nog altijd een vooraanstaande rol in de Surinaamse samenleving.

De meeste blanken waren echter niet naar Suriname gekomen om te blijven. Gouverneur Mauricius sprak over kolonisten voor wie Suriname een land van 'vreemdelingschap en passage' was. De Surinaamse samenleving was er dan ook een zonder veel samenhang. Zij vertoonde niet de eenheid van de Spaanse kolonies in Latijns Amerika, waar de rooms-katholieke kerk een bindende factor was.

In Suriname was zendingsdrang nooit een drijfveer geweest. Hernhutters en rooms-katholieke priesters mochten zelfs tot in de negentiende eeuw geen zending onder slaven bedrijven. De planters vreesden dat de afstand tussen hen en de negerslaven anders te klein zou worden. Dat verhinderde overigens niet dat de blanke kolonisten zich weinig aantrokken van het verbod 'vleeschelijke conversatie' met zwarte slavinnen te hebben. Met strenge regels en een harde behandeling hielden zo'n vijfduizend blanken een tien keer zo grote 'slavenmagt' onder de duim.

De moeizame relatie tussen Suriname en Nederland dateert al van deze periode. Altijd weer was er onenigheid tussen het blanke plantersbestuur en de gezagsdragers in Nederland over benoemingen van gouverneurs, kosten voor de strijd tegen weggelopen slaven en belastingheffingen. Ook onderling waren er voortdurend ruzies. Dat leidde ook toen reeds tot hele en halve staatsgrepen. Gouverneurs spraken in hun journalen veelvuldig over jaloezie en gekuip onder de paar duizend blanke kolonisten, die elkaar in de kleinschalige samenleving voortdurend voor de voeten liepen.

Het was vooral een kleine elite van plantagebeheerders, de zogenoemde administrateurs, die grote rijkdommen kon vergaren. Ook de slavenhandel bracht het nodige op. Financiers uit Nederland die de plantages van kredieten voorzagen, kwamen er heel wat bekaaider vanaf. Soms werden ze bedrogen en verdween hun geld in een bodemloze put.

De Nederlandse overheid vulde al die tijd, tot ver in deze eeuw, de Surinaamse begrotingen aan. Premier Colijn verzuchtte in 1935 in de Eerste Kamer dat alles wat in Suriname was beproefd eenvoudigweg was mislukt. “En daarom wilde ik wel dat er eenmaal in Nederland iemand opstond die wél wist wat er gedaan zou kunnen worden.”

De baten uit Nederlands-Indië overtroffen ruimschoots die uit Suriname. Voor Nederland was Suriname slechts een 'reservekolonie' voor het geval Indië verloren zou gaan. Ook na de afschaffing van de slavernij in 1863 was het koloniale bestuur zich blijven richten op de ten dode opgeschreven plantage-economie, waarvoor ruim 34.000 hindoestanen ('koelies') uit Brits-Indië en bijna net zoveel Javaanse contractanten uit Nederlands-Indië werden gehaald. De mogelijkheden voor de kleine middenstandslandbouw, waartoe vooral hindoestanen zich aangetrokken voelden, werden zelfs welbewust aan banden gelegd.

Af en toe borrelde er onvrede op bij de verschillende bevolkingsgroepen. Zo was er gewelddadig verzet van hindoestaanse contractarbeiders tegen slechte leefomstandigheden. En frustraties waren er ook bij de groeiende groep kleurlingen, en later zwarte creolen, die ondanks goede opleidingen moesten toezien dat blanke Nederlandse ambtenaren alle topposities innamen. De creoolse stadsbevolking leefde vaak in schrijnende armoede.

In 1910 had een politie-inspecteur van Hongaarse afkomst, een zekere Frans Pavel Killinger, zelfs een staatsgreep voorbereid om naar eigen zeggen aan de wantoestanden een eind te maken. Veelzeggend is het begripvolle commentaar van de Surinaamsche Bode op de affaire: “We zien in verbeelding op het doek een nieuw land uit den hemel vallen met zijn regeeringsmannen bestaande uit een blanke president die niets anders dan gelijkheid, vrijheid en broederschap predikt, en uit zwarte en bruine rechters, Proc. Generaals, Adm. van Financiën, Bankdirecteurs enz., enz., in één woord zij die voorheen knechten waren, worden nu de voornaamsten.”

In de jaren dertig kwam het kortstondig tot een sociale beweging van enige betekenis. Een van haar leiders, Anton de Kom, die later Wij slaven van Suriname schreef, werd op last van het koloniaal bestuur op de boot naar Nederland gezet. Van een echte nationalistische beweging, zoals in Nederlands-Indië, kon in Suriname door al zijn verschillende immigrantengroepen geen sprake zijn.

De schrijver V.S. Naipaul heeft Caraïbische landen omschreven als “gemaakte maatschappijen” en “scheppingen van een overzees rijk”. Het lijkt een echo van de woorden die gouverneur Mauricius ruim tweehonderd jaar eerder in zijn journaal noteerde. De schakering aan bevolkingsgroepen in Suriname vindt haar weerspiegeling in een nog altijd verzuilde samenleving. Etnische, sociale en economische scheidslijnen zijn lange tijd samengevallen. De creolen hadden een maatschappelijke voorsprong, doordat zij al in een vroeg stadium naar Paramaribo trokken. hindoestanen, en ook Javanen, wonen nog steeds overwegend in de districten.

De politieke partijen die na de Tweede Wereldoorlog bij de invoering van het algemeen kiesrecht ontstonden, organiseerden zich langs etnische lijnen. Zij waren bij uitstek het vehikel voor de emancipatie van de eigen etnische groep. Ook de tegenstellingen over de onafhankelijkheid in 1975, die leidde tot een massale emigratie, liepen langs etnische lijnen. De hindoestanen wilden de banden met Nederland handhaven, omdat zij de Nederlandse aanwezigheid zagen als een garantie tegen creoolse overheersing. De etnische oriëntatie in de politiek verklaart de cultuur van cliëntelisme en patronage die in Suriname nog altijd gedijt.

De militaire coup van Desi Bouterse in 1980 leek voor het eerst tot enige natievorming te leiden. Velen zagen er een welkome vernieuwing van de 'oude' politiek in. De decembermoorden in 1982, toen in het militaire hoofdkwartier vijftien opposanten van het bewind in koelen bloede werden doodgeschoten, hielpen de meesten uit de droom. Sinds de jaren tachtig hebben cocaïnehandel, illegale goudexploitatie, corruptie, en machtsmisbruik een hoge vlucht genomen. Suriname heeft weer trekken van het koloniale wingewest dat het de afgelopen eeuwen is geweest - het verschil zit 'm slechts in de rolverdeling.