EconomieHosselen tussen de luxe wagens

Ondanks zijn potentiële rijkdom leeft Suriname beneden zijn stand. De 'gewone' man of vrouw moet bijklussen om het hoofd boven water te houden in het land van de formele en de informele economie.

SURINAME BEHOORT tot de twintig rijkste landen ter wereld. Althans wanneer het potentieel aan natuurlijke rijkdommen in aanmerking wordt genomen. De Wereldbank plaatste het land enkele jaren geleden zelfs op de zeventiende plaats van de wereldranglijst.

Toch komt Suriname met een inkomen per hoofd van zo'n 1.300 dollar per jaar nauwelijks in de middenmoot. Het land is er nooit in geslaagd het potentieel om te zetten in echte welvaart voor de hele bevolking.

De eenzijdige oriëntatie van de koloniale economie op de plantagelandbouw vormt een van de verklaringen. Tot eind jaren twintig van deze eeuw was suiker nog het belangrijkste Surinaamse exportproduct, terwijl ook koffie werd uitgevoerd.

Sindsdien wordt de economie van Suriname gedomineerd door de bauxietindustrie. De sector is grotendeels in handen van het Amerikaanse Alcoa, terwijl ook voormalige Shell-dochter Billiton participeert. In de Tweede Wereldoorlog was Suriname zelfs enige tijd de grootste bauxietproducent ter wereld, waardoor de aluminiumindustrie en de vliegtuigindustrie in de VS op volle toeren kon draaien. Nog steeds neemt de bauxietsector zo'n zeventig procent van de Surinaamse export voor zijn rekening, terwijl ook zestig procent van de inkomstenbelasting eruit afkomstig is.

Vanaf de jaren zestig ging Suriname ook het eindfabrikaat aluminium en het halffabrikaat aluinaarde produceren, nadat de door Alcoa gefinancierde stuwdam in het Van Blommesteinmeer was voltooid. De bauxietsector gaf Suriname een economische impuls. Maar de werkgelegenheid bleef beperkt tot enkele duizenden mensen.

Particuliere investeerders hebben door de kleinschaligheid van de lokale markt nooit veel interesse gehad om hun geld in de productiesector te steken. Het verklaart mede de grote rol van de overheid in de economie. Suriname telt zo'n honderd staatsbedrijven met de meest uiteenlopende activiteiten, die in de niet-financiële sector een kwart van het bruto binnenlands product voor hun rekening nemen.

De efficiency laat bij veel bedrijven dan ook sterk te wensen over. Vandaar dat de toetreding twee jaar geleden van Suriname tot de Caraïbische gemeenschappelijke markt (Caricom) wel tot meer import, maar nauwelijks tot meer export heeft geleid.

De grote staatsbemoeienis en overregulering van de economie past in de patronagecultuur, die haar oorsprong vindt in de nog steeds etnisch georiënteerde politiek. De etnische oriëntatie is ook een rem op economische hervormingen. De hindoestaanse bevolkingsgroep, waarin de ondernemersklasse sterk is vertegenwoordigd, heeft weinig bezwaar tegen liberalisering en privatisering. De creolen zien hierin echter een bedreiging, want zij werken overwegend in het veel te grote ambtenarenapparaat en bij de staatsbedrijven.

Veel van de bijna 2,7 miljard gulden ontwikkelingshulp die Nederland sinds de onafhankelijkheid in 1975 aan Suriname ter beschikking stelde, is besteed aan infrastructuur. De geldstroom leidde weliswaar tot kortstondige oplevingen van de economie, maar niet tot een duurzame verhoging van de productie. Uit economisch onderzoek is gebleken dat Nederlandse hulp in de plaats kwam van particuliere besparingen en investeringen.

Begin jaren negentig bereikte de Surinaamse economie een dieptepunt na jaren van fiscaal en monetair wanbeleid in de periode van de militaire dictatuur en de eerste jaren daarna met een hyperinflatie die tot boven de vijfhonderd procent reikte. De Surinaamse gulden, die ooit in waarde gelijk was aan de Nederlandse gulden, was nog nauwelijks een halve cent waard.

De ommmekeer kwam in 1995 tijdens de regering van president Venetiaan, toen een eind werd gemaakt aan de monetaire financiering en het overheidstekort werd weggewerkt. Volgens het Internationaal Monetair Fonds (IMF) vertoonde de Surinaamse economie na jaren van krimp in 1995 en 1996 weer een positieve groei van respectievelijk 5 en 3 procent, terwijl de inflatie volledig tot staan was gebracht. Wel is de bankrente, als nasleep van de crisis, met zo'n 30 procent nog altijd erg hoog.

Het IMF waarschuwde vorig jaar in zijn landenrapport de nieuwe regering van president Wijdenbosch dat de economie opnieuw dreigt te ontsporen. Wijdenbosch maakte een eind aan het structurele aanpassingsprogramma. Ook werden salarisverhogingen van 25 procent en meer betaald aan ambtenaren en nieuwe verhogingen in het vooruitzicht gesteld. Verder werden contracten getekend voor de bouw van bruggen over de Surinamerivier en de Coppename, terwijl nog onduidelijk is hoe de projecten moeten worden gefinancierd.

Bij de belastinginning dreigen problemen na het wegsturen van Nederlandse belastingdeskundigen die door de regering als ongewenste pottenkijkers werden beschouwd. Ook loopt de buitenlandse schuld van ruim 200 miljoen dollar (500 dollar per hoofd) op door het afsluiten van nieuwe leningen. De budgettaire problemen kunnen nog ernstiger worden nu de Nederlandse hulp, goed voor bijna een kwart van de Surinaamse begroting, door problemen in de relatie Nederland-Suriname dreigt stil te vallen.

Hoe de Surinaamse economie er precies voorstaat weet niemand. Het IMF stelt vast dat de omvang van de parallelle (informele en illegale) economie weer is toegenomen. Hiervoor werd al de basis gelegd in de jaren tachtig, toen achtereenvolgende regeringen door het deviezengebrek de financiering van importtransacties uit onofficiële deviezenbronnen toelieten. Daarmee werd de deur opengezet voor een geldstroom uit narcoticahandel, smokkel en corruptie. Goed draaiende winkels en boetieks en de vele luxe auto's in Paramaribo wijzen op een uitbundige consumptie.

Uit de officiële economie valt dat nauwelijks te verklaren. De bauxietindustrie draait nog steeds goed, maar niet plotseling veel beter.

De vorig jaar door Staatsolie in gebruik genomen kleine raffinaderij, waar olie uit een van de districten wordt verwerkt, levert slechts een bescheiden bijdrage aan de economie. Voor de kust wordt wel meer olie vermoed, maar tot investeringen in exploratie en exploitatie is het nog niet gekomen.

De landbouw, met name de belangrijke rijstsector, heeft nog steeds met problemen te kampen, omdat door gebrek aan financiële middelen de infrastructuur sinds de jaren tachtig sterk is verwaarloosd. Bovendien is de rijstexport, net als die van bananen, nogal afhankelijk van het importregime van de Europese Unie.

Het IMF constateert dat met name de hout- en goudsector, en ook de visserij, te maken hebben met omvangrijke illegale export ter waarde van mogelijk vele honderden miljoenen dollars. In het waardevolle Surinaamse regenwoud dreigt, mede door gebrekkige controle, een kaalslag.

Slechts een handjevol particulieren profiteert daarvan. De 'gewone' Surinamers moeten intussen bijklussen om het hoofd boven water te houden. In Suriname bestaat daar het mooie woord hosselen voor.