De moderne narren van de managementleer

De Toverdokters, Wat managementgoeroes beweren en wat u daarvan moet onthouden. Door John Micklethwait en Adrian Wooldridge, Uitg. Contact, ƒ 85,-

Denkers over management hebben naar de mening van John Micklethwait en Adrian Wooldridge de samenleving de afgelopen jaren ingrijpend veranderd. Hun eind vorig jaar in een Nederlandse vertaling verschenen De Toverdokters, Wat managementgoeroes beweren en wat u daarvan moet onthouden is een van de nieuwe boeken die orde probeert te scheppen in de stortvloed aan boeken over management. De auteurs, medewerkers van The Economist, laten zien hoe managementdenkers begrippen als privatisering en decentralisering overal ter wereld wisten te verkopen. De Toverdokters richt zich hierbij alleen op Engelstalige en dan vooral Amerikaanse schrijvers.

Micklethwait en Wooldridge zien Peter Drucker - en niet Frederick Taylor - als de grondlegger van de hedendaagse invloedrijke managementtheorie. Alle spraakmakende goeroes van dit moment borduren voort op zijn ideeën, menen de auteurs. Drucker is de profeet en alle andere managementtheoretici zijn in vergelijking met hem apostelen. De Britten laten aan de hand van deze stelling op een heldere manier zien wat voor karakteristieken de beroepsgroep kenmerkt en waar zij de wereld hebben beïnvloed.

De Oostenrijker Drucker emigreerde vlak voor de Tweede Wereldoorlog naar Amerika en kwam uit een zeer intellectueel milieu. Via zijn ouders kende hij mensen als Freud, de militair-strateeg Kraemer en de historicus Polyani. Na allerlei omzwervingen - Drucker werkte bij een bank en een krant - raakte hij geïnteresseerd in management. Dit vak kende geen enkele intellectuele traditie en genoot geen aanzien.

In 1942 verscheen zijn eerste boek over de organisatie van het bedrijfsleven. The Future of Industrial Man viel bij (wetenschappelijke) critici niet in goede aarde, omdat Drucker van mening was dat bedrijven naast een economisch doel ook een sociale dimensie hadden. Met deze, toen buitenissige, gedachte kon hij wel aan de slag bij General Motors, op dat moment de grootste onderneming van de wereld. Op basis van zijn ervaringen bij de autogigant schreef hij The Concept of Corporation waarmee hij definitief doorbrak. Het boek werd onmiddellijk een bestseller en is sinds die tijd voortdurend herdrukt, zowel in de Verenigde Staten als in Japan en Europa.

Wetenschappers namen echter nog meer afstand. Ze zagen Drucker als een ontspoorde econoom die zijn talenten aan een respectabeler onderwerp diende te wijden. Vervreemd van zijn collega's ging Drucker voort met het schrijven over management. Zijn methoden waren niet altijd even solide en hij schroomde niet zich over sommige stellingen tegenstrijdig uit te laten. Het gedachtegoed van de auteur heeft echter ontegenzeglijk veel invloed gehad.

Drucker hield al in de jaren vijftig pleidooien om overheidstaken te privatiseren, een idee dat de afgelopen vijftien jaar Nederland heeft veranderd. Ook zette hij veel ondernemingen aan tot decentraliseren. Drucker wordt de eer toebedacht dat hij 75 tot 80 procent van de Fortune 500-bedrijven aanzette tot radicale decentralisatie, stellen Micklethwait en Wooldridge.

Drucker staat aan de basis van ideeën waarbij de werknemers verantwoordelijkheid krijgen (empowerment, de creatie van de zelfsturende onderneming) en hij sprak voor het eerst over het kennisbedrijf met zijn kenniswerker. In droge academische taal voert Drucker nu al meer dan vijftig jaar een hartstochtelijk pleidooi om de werknemer te zien als hulpbron - met menselijke behoeften - en niet als kostenpost. De intellectuele kwaliteiten van een medewerker moet een onderneming volledig benutten, zo vindt Drucker, waarbij hij niet vergeet te benadrukken dat een werknemer wel afgerekend moet worden op zijn werkzaamheden.

De ideeën van Drucker over het meten van resultaat in een onderneming zijn minder succesvol. Hij is de grondlegger van het 'doelstellingen-management', een rigide vorm van hiërarchisch leiding geven die momenteel erg in diskrediet is. Het bracht een onderneming als General Motors in de jaren tachtig aan de rand van de afgrond.

Als tweede beeldbepaler halen de Britse auteurs Tom Peters aan, mede-auteur van de bestseller In Search of Excellence. De Amerikaan Peters belichaamt een nieuwe beroepsgroep in de economische praktijk. Als moderne hageprekers trekt een groep managementtheoretici sinds Peters boek de wereld rond. Voor bedragen die kunnen oplopen tot 20.000 gulden per dag houden ze overal spreekbeurten. Peters blijft daarbij een van de meest in het oog springende mensen. Hij komt elke twee jaar met een boek waarin hij de revolutie predikt en er niet voor terugschrikt om zichzelf tegen te spreken en te shockeren. Zo was hij op de cover van een van z'n laatste boeken gekleed in een boxershort.

Maar Peters is niet alleen een nar die veel geld vraagt voor een stuk cabaret. Hij heeft een gedachtegoed dat eerder alleen in kleine kring bekend was, wereldkundig gemaakt. Terwijl boeken over management voorheen bijna onverkoopbaar waren, zijn ze tegenwoordig op alle vliegvelden in de wereld verkrijgbaar. Iedere onderneming is zich bewust van de eigen bedrijfscultuur, weet dat het bedrijfsproces ten dienste moet staan van de klant en geeft medewerkers meer verantwoordelijkheden.

Drucker en Peters kregen nooit brede wetenschappelijke erkenning. Toch konden universiteiten niet om hen heen. De opkomst en export van Amerikaanse MBA-opleidingen, altijd al actief in het schemergebied tussen praktijk en academische theorie, loopt bijna gelijk met de stijgende populariteit van managementtheoretici. In de universitaire wereld leidt dit tot een vreemde tweeslachtigheid. De Harvard Business Review, verbonden aan de MBA-opleiding van de universiteit, is met een oplage van meer dan 200.000 exemplaren verreweg het populairste blad over managementtheorie. Toch wordt het blad door economen nog steeds niet als erg wetenschappelijk gezien.

Micklethwait en Wooldridge gaan niet op deze discrepantie in. Er ligt dan ook een wetenschapsfilosofisch probleem aan ten grondslag. De sociale wetenschappen slagen er niet in ideeën te leveren waaraan een manager in de praktijk wat heeft. De kracht van MBA-opleidingen en populaire managementboeken is dat ze dit probleem omzeilen door voortdurend met voorbeelden te komen uit de praktijk. Niet de wetenschappelijke methode of het zoeken naar algemene wetten staat centraal, maar het zoeken naar oplossingen die managers naar hun eigen situatie kunnen vertalen.

Het gevaar is dat onderlinge kritiek en controle verdwijnt. Terwijl een conventionele wetenschapper rekening moet houden met het oordeel van collega's, is het geven van kritiek niet de sterkste kant van de MBA-cultuur. De markt bepaalt welke ideeën invloed hebben en de toets der kritiek vindt pas plaats wanneer managers het geventileerde gedachtegoed in de praktijk toepassen. De Engelse auteurs vragen zich helaas niet af of dit niet wat te laat is, maar dat is misschien eerder een taak van wetenschappers. De Toverdokters blijft desondanks de moeite waard. Het leest als een jongensboek en geeft een schitterende schets van het populaire denken over management en de wereld die erachter ligt.