Citatie-index

Enige tijd geleden stond in de Volkskrant een merkwaardig stuk over een zogenaamde citatie-index. Hieruit bleek dat onder de twintig meest geciteerde beoefenaars der sociale wetenschappen één Nederlander was, de sociaal-psycholoog Geert Hofstede. Daar stond ik wel even van te kijken, want alle andere namen op die lijst kende ik, op één na, maar uitgerekend van onze landgenoot had ik nog nooit gehoord.

Wat nog opmerkelijker is, is dat hij niet alleen de enige Nederlander is in het gezelschap van deze groten, maar met zijn vijftiende plaats geleerden als Kant, Wittgenstein, Derrida, Mill en Keynes, die twintigste en laatste is, royaal achter zich laat. Er is nog meer vreemds aan dit lijstje. Zo is er het opmerkelijke feit dat van de top twintig er nog slechts zes in leven zijn, onder wie onze eigen, zeg ik met enige trots, Hofstede. De overige veertien zijn dood, soms al lang dood, zoals Karl Marx die overleden is in 1883, maar nog altijd goed is voor een twaalfde plaats, soms al bijna twee eeuwen dood zoals Kant (overleden in 1804) en soms zelfs meer dan twee eeuwen, zoals Adam Smith (overleden in 1790). Smith staat op nummer negen en behoort daarmee, in tegenstelling tot Karl Marx, nog net tot de top tien. Ook de absolute topscorer, Freud, die met 993 citaties vele straatlengten voorligt op nummer twee, Michel Foucault (met 814), is al sinds lang niet meer onder ons. Hij overleed in 1930.

Van de zes levenden zijn de meesten overigens ook niet bepaald jong. Mary Douglas, de Britse antropologe is van 1921 en nadert dus de tachtig, Hofstede zelf is van 1928 en Habermas van 1929. Bourdieu en Derrida zijn beiden van 1930. Die zijn dus allemaal rond de zeventig. Er is maar één broekenman bij, de Britse socioloog Anthony Giddens, die van 1938 is en dus dit jaar zestig wordt. Als je de hele groep overziet, kun je constateren dat de meest geciteerde sociale wetenschappers gemiddeld honderdtwintig jaar geleden zijn geboren. Is het niet vreemd dat een zo jonge tak van wetenschap voornamelijk te rade gaat bij mensen die al zo lang dood zijn? Is het niet vreemd dat de schaarse levenden gemiddeld zeventig jaar oud zijn? Zegt dit iets over de sociale wetenschappen of over de citatie-index of over allebei?

Om een antwoord op deze vragen te vinden, moeten wij nog eens goed naar dat lijstje kijken en zien wat hier onder sociale wetenschappen wordt verstaan. Er zijn vijf psychologen bij: Freud, Piaget, Eysenck, Vigotsjki - dat is die andere van wie ik nog nooit had gehoord - en Hofstede, die wordt aangeduid als 'sociaal-psycholoog'. Dan zijn er de sociologen. Dat zijn er vier: Bourdieu, Weber, Giddens en Durkheim. Er zijn evenveel economen: Smith, Marx, Mill en Keynes. De antropologie levert slechts één naam op: Mary Douglas (waar is Lévi-Strauss gebleven, vraag je je af). De overigen zijn - ietwat verrassend - filosofen, namelijk Foucault, Habermas, Popper, Kant, Wittgenstein en Derrida. Zes filosofen in totaal onder de meest geciteerden, dat is veel en bovendien kun je Karl Marx en John Stuart Mill net zo goed of misschien zelfs wel beter als filosoof dan als econoom aanduiden. Dan hebben wij zelfs acht filosofen onder de top twintig. Een diepzinnig gezelschap, die sociale wetenschappers, en de reputatie dat zij onbenullige en oppervlakkige onderzoekjes doen naar dingen die iedereen al lang weet, berust dus kennelijk op niets. Integendeel, het zijn echte denkers.

Waar komen of kwamen zij vandaan? Groot-Brittannië is topscorer met vijf autochtone geleerden en in totaal acht, als je ook de allochtonen Popper, Wittgenstein en Eysenck meerekent. Duitsland levert er vier (of met Eysenck mee vijf), Frankrijk ook vier en Oostenrijk één, maar met de ex-Oostenrijkers Popper en Wittgenstein erbij drie. Zwitserland, Rusland en Nederland dragen alle drie één geleerde bij. Een opvallend feit is dat er geen enkele Amerikaan onder de top twintig is te vinden, terwijl Amerika toch het Mekka der sociale wetenschappen is, dat bovendien grossiert in Nobelprijzen voor economie. Maar nee, geen Nobelprijzen economie en ook geen Albert Hirschman of Clifford Geertz, geen Merton of Huntington, niemand.

Wat zegt dit over de sociale wetenschappen? Niet veel denk ik en hoop ik, want als dit echt een beeld geeft van invloed en theorievorming dan is het daar slecht mee gesteld. Het zegt misschien wel iets over de betekenis van deze citatie-index, want wat betekent het dat Freud de meest geciteerde sociale wetenschapper is? Misschien niets meer dan dat iedereen het wel eens heeft over het onderbewuste, sublimatie en verdringing, iets opmerkt over het 'onbehagen in de cultuur', dan wel 'Was will das Weib' mompelt. Zoals ook veel mensen over onderbouw en bovenbouw spreken of over meerwaarde en Verelendung en het heel gewoon is om over Idealtypen, de onzichtbare hand, anomie en falsificatie te spreken of op gezette tijden 'Wovon man nicht reden kann darüber muss man schweigen' te zeggen. Maar de woorden 'to be or not to be' en 'what is in a name?' worden nog veel vaker geciteerd en toch wordt Shakespeare zelden tot de sociale wetenschappen gerekend. Het meest gebruikte citaat onder Nederlandse historici is ongetwijfeld Geyls uitspraak dat de geschiedenis 'een discussie zonder einde' is. Zegt dit iets over de invloed van Geyl? Wij geloven van niet. Kortom, het feit dat die auteurs vaak geciteerd worden, betekent nog niet dat hun invloed ook groot is. Misschien zegt het wel iets over dit soort citatie-indexen. Een aantal jaren geleden was Immanuel Wallerstein, een socioloog-politicoloog, waarschijnlijk de meest geciteerde auteur onder historici. Hij had een theorie over het modern world system ontwikkeld, waar niemand veel in zag maar iedereen wel wat tegenin kon brengen. Dat was een ideale situatie, want zo kon je door zijn naam te noemen laten merken dat je op de hoogte was van het nieuwste van het nieuwste om vervolgens aan te tonen dat Wallerstein in jouw land, regio, eeuw, decennium of specialisme niet zo goed thuis was als jijzelf.

Je kunt dus op zo'n index heel hoog scoren, zowel door een onbetwistbare maar pakkend geformuleerde platitude te lanceren als door een betwistbare stelling te formuleren. Ik weet niet of dit in de natuurwetenschappen ook zo is. Ik denk het niet. Maar ik denk ook niet dat de meest geciteerde fysici, astronomen, chemici en biologen allemaal allang dood zijn. Misschien is de citatie-index in die vakken een goed instrument bij het bepalen van het wetenschapsbeleid, al begrijp ik uit een column van Vincent Icke in deze krant van zaterdag 10 januari jl. dat men ook daarover zijn twijfels kan hebben. Voor de sociale wetenschappen zou ik er in ieder geval voorzichtig mee zijn. Als de belangrijkste uitspraak van onze meest geciteerde Nederlandse sociale wetenschapper is, dat onze cultuur 'extreem feminien' is, dan bekruipt mij niet alleen de oude twijfel over de wetenschappelijkheid van de sociale wetenschappen, maar vooral ook twijfel over de betekenis van deze citatie-index.