Vonnis in zaak Tjoelker is niet uitzonderlijk

Op 4 juni 1995 werd in het voetbalstadion te Deurningen een man tijdens een vriendschappelijke wedstrijd tussen Bogart uit Hengelo en de Terminators uit Den Haag zodanig geschopt en geslagen door spelers en supporters van de Haagse voetbalclub, dat hij ruim twee weken daarna aan zijn opgelopen verwondingen bezweek. Tussen de supporters en spelers van beide (horeca) voetbalclubs was na het uitdelen van een rode kaart aan een speler van de Terminators onenigheid uitgebroken. Het enige dat de 56-jarige had gedaan was trachten de gemoederen te sussen en een van de supporters van Bogart in bescherming te nemen door voor hem te gaan staan als een soort menselijk schild. Hij moest deze moedige daad met de dood bekopen.

De officier van justitie in Almelo legde aan de daders zware mishandeling de dood tengevolge hebbend ten laste en eiste tegen de hoofddader, een cliënt van mij, onder meer een gevangenisstraf van vier jaar. De rechtbank in Almelo veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden. Enkele maanden later eiste de procureur-generaal bij het gerechtshof in Arnhem in hoger beroep een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het gerechtshof in Arnhem strafte aanzienlijk lager en legde een gevangenisstraf op voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Bij de vaststelling van de straf heeft het hof ten gunste van de verdachte rekening gehouden met het feit dat de dood van het slachtoffer in verwijderd verband met verdachtes agressieve optreden stond.

De gelijkenis tussen deze nog in cassatie lopende zaak en de zaak-Tjoelker, waarover de gemoederen zo verhit zijn geraakt, is treffend. In beide gevallen werd een volkomen onschuldige medemens voor een sociaal te prijzen daad doodgeslagen en de opgelegde straf is in beide zaken nagenoeg gelijk. Twee van de hoofdverdachten in de zaak-Tjoelker werden na een eis van drie jaar veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, waarvan acht maanden voorwaardelijk.

Voor het 56-jarige slachtoffer, die overigens voor de ogen van zijn zoon werd doodgeslagen, zijn geen mensenmassa's op de been gekomen, en de minister van Justitie heeft in die zaak geen blijk gegeven van verbazing, terwijl de straf zelfs nog lager was dan in de zaak-Tjoelker. Op de plek des onheils zijn geen kransen gelegd. Neen, nog geen week later krijste daar wederom een mensenmassa uitzinnig van vreugde over het volgende doelpunt.

Of het openbaar ministerie in Leeuwarden heeft geblunderd door uitsluitend openlijke geweldpleging ten laste te leggen, is zonder grondige dossierkennis moeilijk te zeggen. De Almelose en Arnhemse strafrechters hebben echter laten zien dat het wat betreft de strafmaat in dit soort gevallen in wezen niet zoveel uitmaakt welk delict ten laste wordt gelegd: openlijke geweldpleging met een maximum straf van vier jaren en zes maanden (zonder de dood als strafverzwarende omstandigheid) of zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend met een maximum van tien jaren.

Dit toont aan dat in verschillende arrondissementen door de rechter vrij gelijkmatig wordt gedacht over de strafmaat in dit soort zaken. Hoe invoelbaar de onvrede over de opgelegde straffen in de zaak-Tjoelker ook is, uit het oogpunt van rechtsgelijkheid kan de rechtbank in Leeuwarden, die naar wij moeten aannemen in eer en geweten heeft beslist, niets worden verweten.

Nu is de leek doorgaans niet op de hoogte van de rechtspraak. In zoverre is de maatschappelijke commotie te begrijpen als daarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat de onderhavige bestraffing voor dramatische feiten die de dood ten gevolge hebben te laag wordt bevonden. Maar van een minister van Justitie kan dat niet worden gezegd. Zij had op eenvoudige wijze via de computer kunnen weten dat de door de rechtbank in Leeuwarden opgelegde straf in dit verband geenszins ongebruikelijk is.

In het algemeen is het staatsrechtelijk al ongepast dat een minister van Justitie zich door het uiten van verbazing over een rechterlijke beslissing in een nog lopende strafzaak bemoeit met de strafrechtspleging. Zij zet daarmee immers het gerechtshof in Leeuwarden onder druk. Nog dubieuzer wordt haar interventie nu zij daarmee blijk geeft van een selectieve verontwaardiging. In dit verband maakt het niets uit of zij haar mening heeft gegeven als minister van Justitie of als privé-persoon. Gelet op haar functie is dat een zeer gekunsteld onderscheid.

Niet alleen in de zaak van de Groningse officier van justitie Drenth, maar ook in de zogeheten Hakkelaar-zaak lijkt de minister haar bemoeizucht niet in bedwang te kunnen houden. Zo moest zij uitgerekend tijdens de behandeling van de zaak tegen Johan V. cum suis een werkbezoek aan de rechtbank in Amsterdam brengen.

De verdediging heeft dit opgevat als een bemoeizuchtig signaal aan de rechtbank. Want wat moet een drukbezette vrouw met een werkbezoek aan een rechtbank voor ogen hebben, in aanmerking genomen dat ze al haar hele ambtelijke leven voordat zij minister werd in gerechtsgebouwen, soms ook wel hoogdravend paleizen van justitie genoemd, heeft gesleten. Die gerechtsgebouwen zijn toch alle eender: cellen, kale wachtruimten, vreugdeloze zittingszalen, werkkamers zonder airconditioning en sobere kantines, pardon ik bedoel bedrijfsrestaurants.

Ministeriële interventie in lopende strafzaken ontsiert de minister van Justitie, omdat zij daarmee op zijn minst de schijn wekt het oordeel van de rechter te willen beïnvloeden, of dit niet te willen respecteren. Gegeven de te koesteren machtenscheiding is dat een slechte zaak.