Politiek als heimwee

Het is moeilijk te zeggen wat het publiek meer heeft geschokt: de dood van Meindert Tjoelker of het vonnis. De afgelopen jaren - tien? twintig? - zijn er meer onder vergelijkbare omstandigheden aan zo'n gruwelijk eind gekomen. Men zou hun namen in een monument kunnen beitelen. Bij al die gelegenheden was er verontwaardiging, vanzelfsprekend, maar nadat er blijkbaar volgens de publieke opinie min of meer adequaat was gestraft en herdacht, ging men over tot de orde van de dag.

Vèr hoeven we daarvoor niet terug te gaan. In september vorig jaar werden twee jongemannen vermoord in het Tilburgse uitgaansleven. De verbijstering was nationaal. De kranten drukten reeksen ingezonden brieven af. 'Hier sta ik met lege handen', zei de minister-president. Men was het eens: aan het 'zinloos geweld' moest een eind komen. Nu! Daarna kwam de zaak-Tjoelker, moord en vonnis.

De rechters in Leeuwarden zijn een moedig gezelschap. Ze zijn niet gezwicht voor de zwaarste druk van het publiek dat zich in zijn rechtsgevoel frontaal aangevallen acht. Ze hebben de getuigen gehoord, het bewijs gewogen en hun vonnis geveld volgens het voorschrift van de wet. Niets anders. Geen volksgericht in Leeuwarden.

Maar daarmee is de kloof dieper geworden. Kunnen we er nog op vertrouwen dat de wet in gevallen als deze een doelmatige bestraffing garandeert? Dat hangt ervan af. Niet de rechter schiet tekort, maar de handhaving van de wet op straat of de wet zelf, als het gaat om de bestrijding en bestraffing van het zogenoemde 'zinloos geweld'.

Dat zinloos geweld is trouwens een eufemisme, want in werkelijkheid is het een genormaliseerde terreur; een direct, onideologisch straatfascisme. Dat is niet meer in de eerste plaats een vraagstuk van het recht, maar van de politiek, het parlement, de regering.

De rechter heeft naar beste weten en diepste overtuiging gesproken. Daardoor is het vertrouwen in de rechtsstaat geschokt. Dat is een absurditeit die niet met lege handen kan worden bestreden. Dan is het de beurt aan de politiek om de handhaving van de orde en de rechtsgang zo aan de samenleving aan te passen dat het vertrouwen wordt hersteld, doordat bijvoorbeeld beschonken moordenaars de straf krijgen die ze verdienen.

Ook als in het dagelijks leven er letterlijk om wordt geschreeuwd, kan het lang duren voor de veranderingen in de samenleving in de wet hun neerslag krijgen. In Nederland wordt het denkbeeld gekoesterd dat de toon in de samenleving wordt gezet door verdraagzaamheid, zorg en humane, meestal niet nader omschreven beginselen. Vergeleken met veel naburig en verwant buitenland zijn de straffen betrekkelijk licht en het vertrouwen in reclassering is groot. De 'misdadiger' wordt niet beschouwd als een onherstelbaar ontspoorde. We zijn geneigd de schuld van zijn misdaad ook voor een deel aan 'de maatschappij' toe te schrijven. Wie een misdaad heeft begaan, is persoonlijk verantwoordelijk, maar er zijn ook omstandigheden die hem in zekere mate tot slachtoffer hebben gemaakt.

Deze opvattingen worden niet alleen in de rechtspleging gehanteerd. Ze horen tot onze vorm van beschaving. Van dit bezit willen we niet van de ene dag op de andere afstand doen.

Nu ontdekt deze relatief vriendelijke samenleving dat ze wordt aangetast door een vorm van geweld, niet van bankrovers of bendeleden die onderling rekeningen te vereffenen hebben, maar van een toevallig, collectief en laf geweld tegen een eenling. De humanitaire samenleving weigert, ook nog maar één procentje van de schuld aan zichelf toe te schrijven. Nu staat niet alleen de minister-president 'met lege handen'. De hele samenleving is in deze toestand. Zo kan ze niet blijven staan. Ze is bereid strenger te straffen, eist dat zelfs, maar in sommige gevallen, juist van dit soort, blijkt de wet dan niet toereikend.

Hoe verandert men de wet, hoe kan de samenleving zich beter beschermen zonder haar karakter prijs te geven?

Boris Dittrich, lid van de Tweede Kamer voor D66, stelt in de Volkskrant voor een 'inventarisatie van de strafmaxima' op te stellen. “Het strafrecht moet de tand des tijd kunnen doorstaan en bestand zijn tegen de emoties van de dag”, schrijft hij. “Desondanks leert de geschiedenis dat de mate waarin de wetgever en de rechter een bepaald misdrijf strafwaardig achten, tijdgebonden is.” Om tot een duidelijker beeld te komen over misschien een nieuwe tijdgebondenheid stelt hij een brede maatschappelijke discussie voor, tussen “mensen van de rechtspraktijk [...] maar ook organisaties van slachtoffers.”

Er zullen langzamerhand niet veel mensen zijn die eraan twijfelen dat een nieuwe 'tijdgebondenheid' is aangebroken. Maar het lijkt me geen goed idee om daarover een brede maatschappelijke discussie op touw te zetten. Zo'n discussie wordt namelijk al, met wisselende intensiteit gevoerd sinds het 'zinloos geweld' tot de omgangsvormen op uitgaansavonden is geworden. Het instituut van de b.m.d. leert verder dat daarmee geen conclusie wordt bereikt maar dat zo'n debat in oeverloosheid vervaagt, dat de deelnemers eerder de neiging hebben zich in te graven en dat het geheel eerder dienstig is aan de politiek, als een ingewikkeld soort enquête, om te weten te komen uit welke hoek de wind waait.

De enige conclusie die uit de discussie van de voorgaande jaren al kan worden getrokken, de conclusie die zich sinds het vonnis in Leeuwarden weer scherper aandient, is dat de afstand tussen de wet die op dergelijke gevallen betrekking heeft en de straf enerzijds, en de openbare veiligheid en het rechtsgevoel anderzijds nu gevaarlijk groot is geworden. Voor een b.d.m. is niet eens meer genoeg tijd.

Geweld - dat weet iedereen die weleens op een spitsuur van geweld buiten de deur komt - is allang genormaliseerd. Geweld als norm hoort op gezette tijden allang tot de omgangsvormen in het uitgaanscentrum, allerlei vermaak, het openbaar vervoer, op en om het voetbalveld.

De norm van dit geweld plus alcohol is levensgevaarlijk. Dat hoeft niet nader onderzocht te worden; het is al tientallen malen proefondervindelijk bewezen. Meer politie en strenger straffen zullen misschien helpen. Zulke maatregelen horen dan in de partijprogramma's te worden voorgesteld, zodat we er op 6 mei over kunnen stemmen.

Maar er hoort veel meer bij. Eigenlijk: een ontwerp voor een samenleving van de behoorlijke signatuur, zoals we die misschien hebben gehad, maar die we hebben verwaarloosd omdat we liever de andere kant opkeken.