Leraren Nederlands moeten niet klagen

Het is niet moeilijk om kritiek te leveren op de plannen voor het literatuuronderwijs in de Tweede Fase van het voortgezet onderwijs. Daarom is het merkwaardig dat de meeste kritiek zo eentonig is. Zo beklaagt Jos Radstake zich in deze krant (7 januari) over het feit dat hij straks geen literatuurgeschiedenis meer mag geven en dat zijn leerlingen straks nog minder boeken zullen lezen.

Zijn klacht doet denken aan de docent die ooit, heel eerlijk, zei: “Ik geef literatuurgeschiedenis, want ik kan geen literatuur geven.”

De meeste leraren Nederlands die zich nu zo over de Tweede Fase beklagen, beseffen heel goed wat aan de hand is. Voor hen ligt een periode van hard werken in het verschiet: ze moeten opnieuw nadenken over hun lessen en over hun leerlingen. Ze moeten misschien zelfs samenwerken met de collega's van de vreemde talen, als de school besluit om geïntegreerd literatuuronderwijs aan te bieden. En ze moeten leerlingen begeleiden die zelfstandig opdrachten uitvoeren en die met hele lastige vragen zullen komen.

Hoe veilig, hoe vertrouwd zijn in vergelijking daarmee de lessen literatuurgeschiedenis, de stencils die leerlingen van buiten moeten leren, de standaardvragen die je kunt stellen tijdens tentamens.

Eén van de argumenten tegen de nieuwe opzet die Radstake aanvoert is dat zijn leerlingen nu nog minder gaan lezen. Maar dat bezwaar is eerder boekhoudkundig dan literair van aard. Al staat hij hierin niet alleen: kwantiteit is in het onderwijs vaak een principekwestie, of het nu gaat om aantallen boeken of aantallen bladzijden. De absurde gedachte die daardoor ontstaat is dat leerlingen die minder lezen ook minder hebben geleerd.

Gelukkig zijn de 'vakontwikkelgroepen' (die het examenprogramma hebben vastgesteld) voor dit soort denken niet gevoelig gebleken. Wel is het examenprogramma literatuur voor Nederlands en de vreemde talen voor het grootste deel een hernieuwde poging om van leerlingen kleine literatuurwetenschappers te maken. Maar om hierin te slagen, hebben zij meer dan één leven nodig: ze moeten vertrouwd zijn met esthetische begrippen, met historische codes en literaire stromingen (op het VWO) en met alle mogelijke tekstkritische benaderingen.

De eisen waar het hier om gaat, zijn geformuleerd zonder enig gevoel voor het relatieve van al dit soort bagage. Daarbij hebben de samenstellers van het programma niet echt de moed gehad om het literatuuronderwijs drastisch te vernieuwen. Daarvoor zijn er ook nog te veel docenten als Radstake, die moord en brand schreeuwen zodra ze geen les meer mogen geven over de kenmerken van de romantiek.

Wat we nu hebben is een stap in de goede richting, maar niet meer dan dat: de leerling wordt als individuele lezer wat meer in zijn waarde gelaten, de lessen literatuurgeschiedenis zullen waarschijnlijk verdwijnen en op veel scholen zal men het literatuuronderwijs gaan integreren.

Er is geen enkele reden om bang te zijn voor verarming, en om te denken dat de leerlingen plotseling zullen vergeten wie Bordewijk was. Leerlingen hebben - zo blijkt uit ervaring - een groot vermogen om zich te verwonderen over wat ze meemaken en wat ze lezen. Ze zoeken de problemen op - als ze van ons de kans krijgen. Ze stellen vragen, ze raken van de kook, en ze lezen niet alleen Bordewijk, maar ook Couperus, Tolstoj, Homerus, Ovidius. Alles waar ze iets aan hebben.

Voor iedere leraar Nederlands die nog een beetje plezier heeft in zijn vak, zijn dit zeer spannende tijden. Het heeft weinig zin om te zeuren over beslissingen die reeds zijn genomen. We moeten aan het werk.