'Het toneel heeft mijn leven gered'; Rik van Uffelen speelt in 'Newyorkers' bij Het Nationale Toneel

Eén keer kwam de vader van acteur Rik van Uffelen, die taxichauffeur was, naar een voorstelling van zijn zoon kijken. “Dit is niets voor mij, breng me naar huis”, zei hij in de pauze. Vrijdag speelt van Uffelen met het Nationale Toneel 'Newyorkers'. “Hoe repeteer je Woody Allen?”

Newyorkers door het Nationale Toneel. Van 16 t/m 28/1 in Den Haag, daarna tournee t/m 28/3. Inl. Theater a/h Spui: (070) 346 52 72

AMSTERDAM, 14 JAN. De acteur Rik van Uffelen (50) voelt zich in zijn element in Newyorkers, dat vrijdag bij Het Nationale Toneel in première gaat, want in een komedie heeft hij al lang niet meer opgetreden. Bij Toneelgroep Amsterdam, waar hij tot 1996 in dienst was, was hij met zijn robuuste gestalte jarenlang een vertrouwde verschijning in klassieke en moderne drama-ensceneringen. Met zijn zangerige dictie, waarin af en toe zijn Vlaamse tongval doorklinkt, speelde hij rollen die opvielen door zijn ongekunstelde tekstbehandeling en zijn vanzelfsprekende overwicht. Als de wit geschminkte Othello die hij in Shakespeare's gelijknamige tragedie was; als de voormalige SS-officier in Voor het pensioen van Thomas Bernhard; als de bonkige oude boer Gust in Herbert Achternbusch' gelijknamige monoloog. Zijn spel is gespeend van effectbejag. Hij toont, lijkt het, compassie met zijn personages en dat brengt ze dichtbij.

Nu speelt hij dus in Newyorkers, een stuk dat drie komedies omvat: An interview van David Mamet, Hotline van Elaine May en Central Park West van Woody Allen. De met zwarte humor getekende stukken - geregisseerd door de als regisseur debuterende acteur Gijs Scholten van Aschat - laten mensen zien die hopeloos tekortschieten. In twee ervan, van Mamet en Allen, speelt Rik van Uffelen een rol. “Hoe repeteer je Woody Allen? Hij is van alles wat: kluchtig maar ook een beetje Tsjechov. Het is te makkelijk om alle oneliners de zaal in te gooien, dus zoek je het in een psychologische benadering. Maar als psychologisch drama is zijn verhaal vaak mager, of er een gordijn voor hangt. Als je eenmaal achter dat gordijn bent, is het ontzettend leuk om te spelen.”

Hoewel Rik van Uffelen straks nog moet repeteren, toont hij zich niet gehaast. Regelmatig klinkt een ontwapenende lach van deze man, die naar hij zegt sommigen liever uit de weg gaan. “Mensen zijn misschien bang voor mij. Ik kan heel trefzeker lijken. Maar als iemand mij op een gevoelige plek raakt, ben ik een kind dat je tegen de vlakte slaat. Ik ben een piekeraar en dat sleep je met je mee. Wellicht kom je daardoor eerder in het serieuze circuit terecht. Ik heb bij Toneelgroep Amsterdam veel zware drama's gedaan, terwijl ik vroeger in België ook komedies speelde.”

Zwaar drama was De nacht van de pauw van Willem Jan Otten, een door de pers niet erg enthousiast ontvangen stuk dat thema's aan de orde stelt als abortus en euthanasie. Van Uffelen speelde een hoofdrol. “'We moeten weer diep gaan', zei ik tegen Geert de Jong die in die voorstelling mijn tegenspeelster was. Ik vind het een belangrijk stuk omdat het een standpunt inneemt over onderwerpen waar vaak veel te licht over gedaan wordt. Toen we het speelden stonden we onder grote druk: het was een nieuw stuk en je voelde dat het tot controverse kon leiden. Je was bij die inhoud betrokken en wat we niet wilden gebeurde toch bij de première: we speelden te zwaar ingeleefd, we verloren de dosering uit het oog. Mijn rol riep des te meer emoties bij mij op, omdat het stuk over mijn generatie gaat. Over de wonden die de houding van vrijheid blijheid in de jaren zeventig heeft geslagen. Het was een cynische tijd met drank en drugs; drie, vier keer per jaar ging ik naar het kerkhof om iemand te begraven.”

Als jonge jongen lag een toekomst in het theater voor Rik van Uffelen (1948) niet voor de hand. In het België van vlak na de oorlog groeide hij op in een a-cultureel milieu. Zijn vader was een taxichauffeur die 's zomers ook ijs verkocht. “Ik ben amper naar school geweest. Ik werkte op sleepboten. Toen ik een figurantenrol speelde bij de opera, drong iemand erop aan dat ik naar de toneelschool zou gaan. Ik dacht dat ik daar nooit zou worden aangenomen: nog geen twee woorden kon ik achter elkaar zeggen.” Op zijn zestiende belandde hij toch bij Studio Herman Teirlinck in Antwerpen. In 1970 kwam hij eraf. “Dat heeft mijn leven gered. Mijn ouders zei het allemaal niets. Ze kijken televisie, geen toneel. Ze zijn één keer gekomen, naar Lulu, maar in de pauze zei mijn vader: 'dit is niets voor mij, breng me maar naar huis'.

“In België was het toneel indertijd vreselijk gepolitiseerd. Wie bij het gesproken toneel in Antwerpen werkte was automatisch van de socialisten, werkte je bij de opera dan was je van de katholieken. Ik kon slecht tegen dat systeem en tegen de instelling 'wie niet voor mij is, is tegen mij'. In 1983 ben ik naar Nederland gekomen. Ik kan in België ook niet meer wonen. Ik ben een van de weinige Belgen die zich ontzettend storen aan wat de Belgische mentaliteit heet. Ik ben daar geboren, maar als ik daar kom vind ik er niets terug. Het is een vreselijke soep, een goor kankergezwel. Het land zou onder curatele gesteld moeten worden. Die hele bourgondische levensstijl waar altijd zo over opgegeven wordt, kan me ook gestolen worden. Negentig procent van de mensen krijgt er hart- en vaatziekten.”

In Nederland, zegt Van Uffelen, heeft hij het naar zijn zin, dankzij het werk. “Bij Toneelgroep Amsterdam heb ik een mooie tijd gehad, maar op een gegeven moment was het voor mij voorbij. Dat gezelschap kreeg de afgelopen jaren zo'n reputatie waardoor je naar je gevoel steeds weer moet scoren. Toen Johan Doesburg vorig jaar vroeg of ik bij Het Nationale Toneel Titus Andronicus van Shakespeare wilde spelen heb ik ja gezegd.”

Eén van zijn dromen is zingen met iemand die accordeon kan spelen en dan met een verscheiden repertoire van Bach tot Willeke Alberti trekken naar plaatsen waar het mooi weer is. Teksten bewerken doet hij ook graag: “Ik vond het fantastisch om Achternbusch te vertalen toen ik Gust ging spelen. Net als Bernhard schrijft hij eigenlijk spreektaal, het klinkt als muziek.”

Hardop mijmerend stelt Van Uffelen vast dat hij zonder het theater misschien wel zeeman of visser was geworden. Water trekt hem. In Amsterdam heeft hij een woonboot, in Portugal is hij de eigenaar van een oud vrachtschip. “Als mensen zeggen: 'het is toch leuk wat jij doet?', denk ik: helemaal niet! Toneelspelen is zoiets als de Mount Everest beklimmen. Het moet van jezelf, maar je weet dat onderweg je neus zal bevriezen. Pas als ik op het toneel sta en het gaat goed dan weet ik: dit kan ik. Dit is mijn thuis. Dit kan niemand mij afnemen.”