De nieuwe wanorde

EEN EUROPESE MISSIE maakt zich op om Algerije te bezoeken. Volgens de regering in Algiers mag zij komen praten over steun aan de bestrijding van het terrorisme. De opdrachtgevers van de afgezanten zouden liever andere thema's naar de voorgrond halen, zoals: 'Waar komt al dat geweld in uw land vandaan? Er gaan geruchten dat u zelf niet helemaal brandschoon bent'.

Maar de generaals die het in Algiers voor het zeggen hebben, willen daar niet aan. Dat zou maar inmenging in binnenlandse aangelegenheden betekenen en nog wel door landen die een koloniaal verleden meetorsen. Dat massale slachtpartijen onder dorpelingen endemisch zijn geworden, blijkt de Algerijnse leiders niet uit hun evenwicht te kunnen brengen.

Het Algerijnse voorbeeld toont de zwakte van het Westen en van de internationale organen die uit de cultuur van het Westen zijn voortgekomen. Van Somalië tot Bosnië, van Rwanda tot Afghanistan, van Cyprus tot Angola rijgen de impasses zich aaneen. De heerser van Irak, Saddam Hussein, daagt vrijwel dagelijks ongestraft de Verenigde Staten uit. In haar conflict met de Palestijnen doet de Israelische regering alsof zij niet in laatste instantie afhankelijk is van Amerika - en, in bredere zin, van het Westen als geheel.

EEN ALTERNATIEF voor het vertoon van onmacht tegenover de existentiële crises in een reeks van landen is kennelijk niet eenvoudig te verwezenlijken. Schouderophalend eraan voorbijgaan is niet mogelijk. De gevolgen dringen zich immers op in de vorm van stromen vluchtelingen die op zichzelf als bedreigend voor de samenhang in de Westerse samenlevingen worden gezien. Een kwaad geweten, een specifiek bestanddeel van de Westerse cultuur, kan evenmin over het hoofd worden gezien. Het heeft ten minste geleid tot interventies die weliswaar niet overtuigden, maar wel de goegemeente, al was het maar voor een tijdje, een goed gevoel gaven.

De vraag is natuurlijk hoelang verschrikkingen en onrecht van deze omvang en intensiteit in een soort diplomatieke quarantaine kunnen worden gehouden. Die vraag dringt zich temeer op nu zich steeds weer nieuwe calamiteiten via de media in de publieke aandacht dringen. Eens zal toch de schijn van daadkracht - opgeroepen door halfslachtig tussenbeide komen - worden doorgeprikt.

TEGEN HET EINDE van de Tweede Wereldoorlog hebben de overwinnaars, puttend uit in het Westen ontwikkelde normen en waarden, instituties in het leven geroepen die een nieuwe wereldorde van vrede, welvaart en sociale rechtvaardigheid zouden helpen vestigen en in stand houden. De Verenigde Naties hebben tot op heden hun nut bewezen, maar opportunisme, verdeeldheid, nonchalance en een gebrek aan goede wil hebben voorkomen dat de mogelijkheden van dat instituut ten volle zijn uitgebuit. Meer dan de financiële crisis waarin de VN verkeren hebben die factoren geleid tot het herhaaldelijk missen van kansen.

Na het einde van de Koude Oorlog leefde korte tijd een nieuw elan op om de anarchie in het statensysteem te vervangen door orde, ontsporingen binnen volksgemeenschappen ongedaan te maken en geweld te keren met de belofte van vrede en voorspoed. In te veel gevallen is daar niets van terechtgekomen, en zijn inspanningen verzand in obstructie van kwaadwillende partijen.

Na jarenlang publiekelijk stilzwijgen over de slachtpartijen in Algerije, komt er dan nu eindelijk een missie. Maar dat is nog lang geen bewijs van nieuwe institutionele kracht. Eerder van het tegendeel.