Amerikaanse voorstellen voor Azië-crisis zijn ongeloofwaardig

De val van de Indonesische roepia is de door het IMF voorgestelde economische redmiddelen vóór geweest. Het is niet ondenkbaar dat wat in Indonesië is gebeurd ook in Thailand en Zuid-Korea gaat gebeuren. Volgens William Pfaff is het duidelijk dat het IMF met andere oplossingen moet komen.

De economische crisis in Azië is een crisis van het Amerikaanse model dat voor een geglobaliseerde economie is ontwikkeld. De ineenstorting is veroorzaakt door het conflict tussen dat Amerikaanse model en een Aziatisch groeimodel dat in Japan is ontstaan en daarnaelders is geïmiteerd.

De voorstellen die het IMF nu heeft gedaan zijn wat de manier van denken betreft eveneens Amerikaans. Ze zijn ontwikkeld door het IMF in nauwe samenwerking met president Clintons ministerie van Financiën en ze weerspiegelen de in de Verenigde Staten gangbare economische inzichten.

Vooralsnog hebben deze maatregelen de val van de Aziatische markten, banken en munteenheden niet kunnen verhinderen. Bovendien oogstten ze fundamentele kritiek, niet alleen in Azië zelf, maar ook bij invloedrijke Amerikaanse economen als Jeffrey Sachs van de Universiteit van Harvard en Joseph Stiglitz, een topeconoom bij de Wereldbank. Zij stellen dat de toestand door deze maatregelen alleen maar verergert, omdat ze tot nieuwe deflatie dwingen in economieën die nu al van deflatie te lijden hebben.

Maar niemand die invloed kan uitoefenen op internationaal niveau komt met een alternatief. Algemeen wordt erkend dat de crisis wordt verergerd door een besmettelijk gebrek aan vertrouwen en door wat George Soros beleefd omschrijft als de neiging bij deelnemers in de markt om zich “kuddegewijs te gedragen”.

Het IMF erkent zelf dat Rusland en Brazilië gevaar lopen te worden meegesleept in de crisis, zodat de economische ontwrichting zich naar Oost-Europa en Amerika kan uitbreiden.

Omdat de Verenigde Staten en hun beleid de kern van het probleem vormen, kunnen Washington en de in Washington gevestigde internationale instanties maar moeilijk het vertrouwen in de markt herstellen zonder een verandering van beleid (die zelf evenmin vertrouwenwekkend zou zijn).

Als Japan in staat zou zijn tot een internationaal initiatief, zou een internationale overlegronde binnen de kring van Aziatische landen denkbaar zijn, gevolgd door een regionaal optreden om de crisis te verhelpen of tegen te gaan. Maar de bureaucratie en de politiek daar verhinderen dat het land zelfstandig tot actie overgaat.

Als Europa nu beschikte over het centrale economische directoraat dat het zichzelf voor volgend jaar heeft beloofd wanneer de muntunie wordt ingevoerd, dan zou het wellicht op dit moment in staat zijn tot een zinvol initiatief. Duitse en Franse banken hebben meer kredieten uitstaan in Azië dan Amerikaanse banken. Maar de Europeanen hebben een halve eeuw geleden afgezien van een rol in het economisch wereldgebeuren en ondanks de enorme economische macht die Europa nu is, hebben ze daar ook nooit meer aanspraak op gemaakt.

Zou het denkbaar zijn dat Japan en de Europese Unie gezamenlijk - en onder onverdacht neutrale auspiciën - tot voorstellen komen om een crisis te bezweren die dreigt uit te monden in wereldwijde deflatie? Zouden ze dat zo kunnen doen dat Washington zich ermee kan verenigen zonder de beraadslagingen te domineren?

Op het Wereld-Ecomonisch Forum, dat over drie weken in Davos vergadert, zullen vertegenwoordigers van haast alle belangrijke openbare en particuliere deelnemers in de wereldeconomie bijeenkomen. Deze vergadering zou daardoor kunnen worden benut voor een nieuw onderzoek naar de aard en de oorzaken van de Aziatische crisis, en voor een eerste, onbevangen heroverweging van economische en institutionele maatregelen ter bestrijding ervan.

Zoals David Hale van Zürich Kemper Research heeft gesteld, is het zonneklaar dat de markt zelf consequent foute risicoanalyses maakt en verkeerde bestedingen doet. Regeringen kunnen dan ook een wezenlijke rol spelen in wat Hale noemt de ergste transnationale financiële epidemie sinds de ineenstorting van de Oostenrijkse Creditanstalt Bank in 1931.

Thans breidt die epidemie zich steeds verder uit en dreigt ook China, dat tot dusver gespaard is gebleven omdat zijn economie niet gedereguleerd is, in de deflatie-kolk te worden gezogen.

Als de beurs van Hongkong bezwijkt - ze zit nu al een derde onder het niveau van de hausse ten tijde van de machtsoverdracht aan China - dan kan de druk op de Hongkong-dollar (die aan de Amerikaanse dollar gekoppeld is maar door China wordt ondersteund) tot devaluatie van China's eigen munt leiden. Dat zou een explosieve verergering van de crisis betekenen, die dan vrijwel zeker niet langer tot Azië beperkt zou blijven.

Het Aziatische groeimodel is ontstaan in Japan en heeft geleid tot snelle industrialisatie en een door export gevoede groei, door middel van een door de staat beïnvloed stelsel van nauwe samenwerking tussen bankiers en ondernemers. Dit bestel kon hogere schulden dragen dan westerse systemen, omdat het bedrijfsleven, de banken en de regering samenwerkten in wat werd beschouwd als een nationale krachtsinspanning.

De Verenigde Staten proberen al jaren dat Aziatische model te ontwrichten wegens de protectionistische en dirigistische facetten die het vertoont.

Over de recente gebeurtenissen in Korea schrijft de eerder genoemde David Hale: “Het uiteenvallen van dit economische model, doordat buitenlandse banken plotseling verdere financiering weigerden [...] zal een erfenis van wantrouwen en rancune achterlaten die langdurige politieke consequenties zal hebben.”

Daarom zijn Amerikaanse ideeën ter bestrijding van Aziatische problemen niet meer zo geloofwaardig als vóór de ineenstorting van Thailands financiën. Dit was de eerste dominosteen in een reeks die nog niet is doorbroken en waarvan de politieke consequenties wel eens ernstiger zouden kunnen uitpakken dan de economische.