Voorzitter Kruizinga van de politievakbond ACP vertrekt; 'De politie vergadert te veel'

Een vakbond moet zich niet alleen druk maken over de centen. Er is ook nog zoiets als de dienstbaarheid aan het publiek. De voorzitter neemt afscheid na een carrière van 23 jaar bij de Algemeen Christelijke Politiebond (ACP).

PUTTEN, 13 JAN. Vakbondsbestuurder H. Kruizinga (51) spreekt uit eigen ervaring. Hij noemt de moderne vakbond een “CAO-machine”, een “sociale ANWB”. Op 1 maart stapt hij op als voorzitter van de Algemeen Christelijke Politiebond (ACP). Bij zijn bond zijn nog maar weinig van de oude religieuze waarden terug te vinden en Kruizinga, afgestudeerd theoloog, neemt nu afscheid na een loopbaan van 23 jaar bij de bond. De politiebond is in zijn ogen steeds minder de oude standsorganisatie die ze was, bezorgd over de kwaliteit van de beroepsuitoefening en immateriële zaken.

Hij dreigde cynisch te worden. “Cynisme is een houding om in een schijnwereld overeind te blijven”, zegt hij. “Je zit in een organisatie die historisch en ideologisch is bepaald. Dat is de kracht van de bond. Maar in de praktijk van alledag gelden dit soort noties niet. Als centen het criterium worden, is er sprake van een misverstand. Het lijkt wel of men alleen dat van de vakbeweging verlangt.”

Kruizinga heeft moeite met de besluitvorming: “We accepteren dat vergaderingen andere uitkomsten hebben dan wanneer je de mensen naar hun eigen mening vraagt. Er heerst daar een eigen dynamiek met een eigen verwachte uitkomst. Je hebt veel meer aan goede voelhorens dan aan besluitvorming tijdens vergaderingen. Op een vergadering krijg je alleen de idealisten en de hobbyisten, maar de werkelijke meningsvorming vindt veel flexibeler plaats.”

Volgens een enquête die de bond hield, wilde tweederde van de politiemensen liever geld voor betere werkvoorzieningen dan voor salarisverhoging. Kruizinga: “Maar als er dan vergaderingen worden gehouden zijn de verhoudingen omgekeerd, omdat men van een vakbond min of meer verwacht dat die zich opmaakt voor de strijd om salarisverhoging. Al dat andere is maar een beetje soft en daar heb je geen controle op. De bakker wordt duurder en de gemeentelijke heffingen zijn gestegen.”

Te veel vergaderen, daar wilde de Rotterdamse hoofdcommissaris Brinkman juist ook van af. Maar ook de politiebonden hielpen een handje mee aan diens voortijdige vertrek. Volgens Kruizinga terecht. Als voormalig generaal Brinkman “minder wild van boven af had gedicteerd”, dan hadden de bonden wel meegewerkt, denkt hij. “Uit gesprekken met de mensen daar bleek mij dat de wil om te veranderen beslist aanwezig was.” Want ook al wordt er te veel vergaderd, de politiecultuur blijft een overlegcultuur, is dat altijd al geweest. Dat de vakbond met een organisatiegraad van tussen de 70 tot 80 procent veel macht heeft, is volgens hem geen probleem. “Een onderhandelaar is zo machtig als zijn tegenspeler. Naarmate de tegenspeler machtiger is, hebben de afspraken grotere waarde.”

De bonden hebben baat gehad bij de reorganisatie van de politie en de inmiddels omstreden driehoek van hoofdcommissaris, burgemeester en officier van justitie. Ze hebben zich echt in de overlegcultuur kunnen “nestelen”. Toch zou Kruizinga in de politiedriehoek meer macht en verantwoordelijkheid aan de hoofdcommissaris willen geven. Deze zou een op fouten aanspreekbare 'Polizeipräsident' moeten zijn, zoals in Duitsland. Toen de politie bij rellen in Groningen niet optrad, waren eigenlijk de districtschef van de gemeente en de burgemeester verantwoordelijk voor de openbare orde, niet de hoofdcommissaris, volgens Kruizinga.

Maar heeft de traagheid van de politie ook niet te maken met vakbondseisen die de politie te bureaucratisch hebben gemaakt met zesploegenroosters en agenten die nacht- en weekeinddiensten mijden en zoeken naar een comfortabel bureaubaantje tussen negen en vijf met meer status? Gaat de politie niet ten onder aan haar perfecte vakbondsorganisatie?

Kruizinga ziet wel een probleem met de onregelmatige diensten, maar hij zoekt de oplossing niet in meer 'straatwerk' voor iedereen. Hij ziet meer in vroege pensionering na twintig jaar werk, zoals wel in Amerika of Engeland gebeurt. Na zoveel onregelmatig werk protesteert het lichaam volgens de bedrijfsartsen. Ook de sociale prijs van veel nacht- en weekeindwerk is hoog. Geen verjaardagsfeestjes, geen verenigingswerk. In plaats van na gedane diensten nog jaren in bureaufuncties te blijven hangen, zouden agenten met vervroegd pensioen moeten kunnen gaan, vindt Kruizinga. Gedurende hun korte loopbaan kunnen de agenten dan dag en nacht paraat zijn. “Als je 60 procent van je agenten op straat brengt, ben je spekkoper”, zegt hij. Helaas gaat het in Nederland nog niet echt die kant op. Er wordt alleen gepraat over vrijwillige pensionering op het 55ste jaar.

Zo filosofeert de vakbondsman in zijn woonboerderij met zitkuil in het Gelderse Putten. Hij wekt niet de indruk van de barse diender. In zijn rechteroorlel schittert een zilverkleurig sterretje. Door het raam is in de verte het sierlijke hek van de enorme achtertuin zichtbaar. Zijn vrouw en hij zijn hier vorig jaar gaan wonen voor de rust. Hij gaat werken bij het arbeidsbemiddelingsinstituut voor blinden en slechtzienden 'Sonneheerdt' in Putten. Hij hoopt dan meer tijd te hebben voor de haan en de kippen die eieren leggen nu de dagen beginnen te lengen. Hij kent het platteland, want hij groeide op in een Drentse boerderij, gemengd bedrijf.

Politieman is hij nooit geweest, wel twee jaar assistent-accountant en zes jaar tweede luitenant van de luchtmacht, specialist in nucleaire, biologische en chemische oorlogsvoering aan de oostgrens van het voormalige West-Duitsland. Vandaar kwam hij in 1974 meteen in het vakbondswerk terecht na een sollicitatie. Ook was hij actief in de antikruisrakettenbeweging, toen hem duidelijk werd wat de atoomwapens, waar hij zich vroeger beroepshalve mee bezig had gehouden, kunnen aanrichten.

Na al die jaren vindt hij dat het tijd is om op te stappen bij de bond. Hij had aanvaringen met het bondsbestuur over de organisatie van de bond. Er waren veel personeelswisselingen.

Kruizinga denkt dat de bond zijn naam alleen kan waarmaken door ook in te gaan op morele kwesties, op de inhoud van het werk en op de dienstbaarheid van de politie aan het publiek. De marktgedachte is verkeerd.

In de jaren vijftig waren de bonden ook verantwoordelijk voor de opleiding en het diploma. Maar nu is “solidariteit passé. Er heeft verzakelijking plaatsgehad”, zegt hij.

De regionale bonden met lagere contributies zijn een serieuze bedreiging geworden voor de vakcentrales. En een christelijke bond kan alleen overleven als ze niet alleen over de centen gaat, aldus Kruizinga.