Stuttgarters spelen direct, onopgesmukt

Concert: Stuttgarter Philharmoniker o.l.v. Jörg-Peter Weigle m.m.v. Pieter Wispelwey, cello. Gehoord: 12/1 Concertgebouw Amsterdam. Herhalingen: 14, 15/1.

Terwijl het Nederlands Philharmonisch Orkest zich bezighoudt met Wagners Die Walküre, die eind deze maand in het Muziektheater in première gaat, nemen andere orkesten de symfonische concerten over. Deze week zijn het de Stuttgarter Philharmoniker met Pieter Wispelwey als solist, later volgt het Residentie Orkest. Het orkest uit Stuttgart komt met een Duits programma: Mendelssohn, Schumann en Brahms. Het lijkt wat op het Weber-Beethoven-Schumann-concert dat Christian Thielemann in oktober leidde bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Maar het contrasteert daarmee sterk, omdat dirigent Jörg-Peter Weigle niet wordt gehinderd door Thielemanns pretentieuze pose van ouderwetse grootsheid,

de dirigent als generaal. Weigle is meer het type van de Kapellmeister als bescheiden dienaar van

de muziek zelf. Hij leidt zijn orkest door de partituur zonder opvallende extremen of interpretaties. Zo komt hij in de Vierde symfonie van Brahms tot een sympathieke uitvoering die vooral onopgesmukt, direct en muzikantesk is, zonder een al te veel gepolijste klank. Het geheel doet daarom zelfs wat 'authentiek' aan. De Stuttgarter violen kunnen in

Brahms helder en pregnant klinken, de celli en bassen in Schumann ronkend sonoor en de houtblazers, die Mendelssohns romantisch wringende

ouverture Die schöne Melusine inzetten, doen dat bijzonder kleurrijk en levendig. De musiceerdrang van Pieter Wispelwey - Nederlands opmerkelijkste cellist en voluit romanticus - is heel wat openlijker en uitbundiger dan die van Weigle. In Schumanns Celloconcert bleek weer zijn neiging om zelf het heft in handen te nemen en met dwingende blik rond zich heen kijkend te speuren naar medestanders om er samen nog iets meer tegenaan

te gaan. Net als Schumanns Vioolconcert is dit Celloconcert immers geen klassiek

concert waarbij solist en orkest veelal tegenover elkaar staan, maar een lange, orkestraal begeleide solo. Het vaak grillige nerveuze karakter daarvan komt geheel overeen met de persoonlijkheid van Wispelwey, die epateerde met zijn fraai getimbreerde grote cellotoon. Het mooist was toch het rustige middendeel, een bijna eindeloze beschouwelijke donkere

zang.