Minkowski

Het hotel zat bijna helemaal vol schakers en op de laatste dag hoorde ik de receptioniste tegen een van de reguliere gasten zeggen dat

ze geen schaker meer kon zien. Ik verbleef daar niet, dus het ging niet

over mij. In mijn eigen hotel meende ik een goede verstandhouding met de hotelbaas te hebben en ik vroeg hem of hij ook zo opgelucht was dat de schakers binnenkort de stad Groningen zouden verlaten.

Inderdaad. In het begin ging het nog wel, toen hij de deelnemers aan het wereldkampioenschap herbergde, maar later kwamen hun minder begaafde collega's die aan een neventoernooi meededen en die hadden zich aan stuitend wangedrag schuldig gemaakt. 's Ochtends als het ontbijt begon snel even naar beneden komen om het buffet leeg te graaien, dan een paar uur later als de fruitschaal weer aangevuld was nog een keer, om echt te ontbijten en om nog een voorraadje te maken. Tennisballen naar elkaar gooien in de lobby. Ketchup op de muren van hun kamer smeren. Het zijn arme en speelse mensen, maar die ketchup ging me te ver. Hein Donner schreef vlak na zijn eerste hersenbloeding over hotels in Zwitserland die in de eetzaal een scherm om de tafel van de schakers heen zetten, zodat de nette gasten de aanblik van dat volk bespaard bleef. Misschien maakte hij de balans van zijn loopbaan op en viel dat scherm waarbinnen de schakers onopgemerkt door de buitenwereld hun eigen vieze dingen doen, hem in als een metafoor voor het schakersleven. Het bevalt me wel, dat scherm. Ik ben geen echte schaker meer, maar toen ik me een maand als verslaggever met het wereldkampioenschap bezighield, voelde ik toch langzamerhand weer de oude vertrouwde geestelijke verwildering en afstomping bezit van me nemen. Op het laatst is er alleen nog maar schaken. Je pakt de kranten nog wel, omdat je dat gewend bent, maar buiten de schaakverslagen lees je alleen de koppen. De boeken die je hebt meegenomen kijk je niet in. Eten, drinken, werken, naar schaken kijken en een beetje suffen als er niet geschaakt wordt. Het is

niet onprettig. Dromen over schaken doe ik niet meer, dat was vroeger. Ik werkte vaak 's ochtends vroeg en ik denk dat je dromen interessanter

zijn als je de volgende ochtend veel vroeger wakker moet worden dan je gewend bent. Je let dan waarschijnlijk wat beter op 's nachts, om niet door de wekker heen te slapen. Ik had een paar literaire dromen, die er

mee te maken hadden dat ik in de tijd voor de schaakafstomping begon een beetje jaloers was geweest op onze zaterdagcolumnist Montag, die meldde

dat hij al twee uitnodigingen had gekregen om pas in december van 1998 lezingen te geven. Je kreeg uit zijn verhaal de indruk dat het uitnodigingen waren van primitieve lieden die goed betalen en met een makkelijk praatje gauw gesticht zijn, vandaar mijn jaloezie. In mijn droom werd ik ook opgebeld om een lezing te houden, maar het moest nog diezelfde dag gebeuren. Montag heeft zeker op het laatste moment afgezegd, dacht ik. Het onderwerp was niet zo makkelijk, het moest gaan over de overeenkomst in structuur tussen het werk van de schrijver Vladimir Nabokov en de plattegrond van New York. Het moet me toch op de een of andere manier gelukt zijn, want later in de droom vond ik op zolder een boekje waarvan ik het bestaan helemaal vergeten was. Mijn lezing stond er in, met door mijzelf gemaakte verhelderende schematische tekeningen van de Minkowski-ruimte. Die ruimte, genoemd naar de Poolse wiskundige Herman Minkowski, heeft iets met de relativiteitstheorie te maken en integreert ruimte en tijd.

De laatste keer dat ik er over gelezen had was jaren geleden, toen ik, niet in een droom maar in het echt, een lezing voorbereidde over het boek Ada van Nabokov en daarvoor een wiskundig boekje doornam van een zekere Rudy Rucker, een naam waarvan ik nog even dacht dat het een pseudoniem was, maar dat was niet zo. In mijn droom had ik nu dus de tijdstheorie van Nabokovs Ada met de ruimtelijke plattegrond van New York geïntegreerd in een Minkowski-ruimte, een knap stukje werk dat door mijn geliefde niet begrepen werd. Er is een bekend verhaaltje over een schrijver die in zijn droom het langgezochte idee voor een meesterwerk vindt, hij wordt wakker en gaat zijn bed uit om het op te schrijven, slaapt weer in en vindt de volgende ochtend de aantekening 'boy meets girl'. Dan was mijn Minkowski-ruimte heel wat indrukwekkender. Maar niet vruchtbaarder. Toch liep ik nog dagen rond, nu in wakende staat, met het idee dat er iets mee te doen moest zijn en dat ik in mijn droom een inzicht had gehad dat uitgewerkt

zou kunnen worden. In een andere droom was ik in een antiquariaat en ik zag daar veel onbekende boeken van geliefde schrijvers. Ik dacht dat ik alles van W.F. Hermans gelezen had, maar in dat antiquariaat zag ik wel tien romans waarvan ik nog nooit gehoord had. Van andere schrijvers was er ook veel

onbekend werk, het was werkelijk een luilekkerland. Er wordt altijd zo neerbuigend gedaan over neerlandici, maar wat moeten ze een heerlijk leven hebben in zulke schatkamers, dacht ik. Er was een boek van een andere geliefde schrijver, waarin hij allerlei bankbiljetten had getekend uit verschillende landen. Mooie tekeningen, die iets geheimzinnigs hadden. Intrigerende teksten. Dat boek wilde ik kopen. Hoeveel kostte het? De boekverkoper begon de waarden van alle afgebeelde buitenlandse bankbiljetten op te tellen en rekende het totaal om in Nederlands geld. Het was erg duur en ik had zoveel geld niet bij me. Tim Krabbé zei een tijdje geleden in een interview dat hij als iemand een droom had opgeschreven, altijd kon zien of het een echte droom was geweest of dat hij maar verzonnen was. Dat vond ik kras, want

van mijn eigen dromen weet ik helemaal niet welk deel ik echt gedroomd heb en wat ik er later heb bijverzonnen toen ik me die droom zogenaamd herinnerde. Maar misschien is het met dromen net zo als met het onderbewuste, waarover iemand eens schreef dat het datgene is wat je zelf niet weet, maar wat aan anderen zonneklaar getoond wordt. Als het zo is, weet je nooit van jezelf wat je echt gedroomd hebt, maar heel precies van anderen.