Jan Leendert Brand; Naar Groningen voor lastige klus

ROTTERDAM, 13 JAN. “Ik ga verhuizen naar Friesland. Lekker rustig”, zei Jan Leendert Brand (60) vlak voor zijn afscheid in september 1997 als korpschef van de regiopolitie Haaglanden. Rust zal Brand voorlopig niet krijgen als hij de teruggetreden Groningse korpschef Veenstra opvolgt.

Brand zal een lastige klus moeten klaren. In Groningen is het politiepersoneel gedemotiveerd geraakt door voortdurende financiële problemen en onderbezetting. De fusie tussen de Rijkspolitie en de gemeentepolitie Groningen is zeer moeizaam verlopen. Burgemeester H. Ouwerkerk hekelde al eens de vergadercultuur bij de politie, waarbij hij vooral doelde op zijn eigen korps.

Algemeen wordt de mening gedeeld dat Brand de man is die het Groningse korps weer op de rails kan krijgen. Hij geldt als zeer ervaren, heeft kennis van zaken en heeft goede contacten in Den Haag.

Brand heeft een politieloopbaan van veertig jaar achter de rug. Zijn carrière begon bij de marechaussee, vervolgens kreeg hij diverse functies bij de Amsterdamse politie. Hij was politiechef in Delft en werkte in de periode van 1969 tot 1978 bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daar leerde hij de ambtelijke cultuur goed kennen.

In 1978 trad hij aan als hoofd dienst algemene zaken van het politiekorps van Den Haag. In 1982 werd hij korpschef. Van 1994 tot 1996 was hij tot ieders tevredenheid voorzitter van de Raad van Hoofdcommissarissen.

Brand is een diplomaat, misschien wat stijfjes en ambtelijk, maar wel slim en strategisch. Hij werkte vooral achter de schermen en hij deed niet vaak opzienbarende uitspraken. Alleen in 1995 baarde Brand opzien toen hij zei dat de strijd tegen de drugshandel als verloren beschouwd kon worden. Om die reden pleitte hij voor decriminalisering van de handel in softdrugs. De gehele politiek viel over hem heen. De ministers Dijkstal (Binnenlandse Zaken) en Sorgdrager (Justitie) waren geërgerd, omdat het politiepersoneel hierdoor gedemotiveerd zou raken en zijn uitspraken kwamen ook de geloofwaardigheid van de rechtshandhaving niet ten goede. Tweede-Kamerleden vonden dat de hoofdcommissaris op eigen houtje had gecapituleerd voor de misdaad.

De periode van vijftien jaar dat hij korpschef was in Den Haag, verliep vrij smetteloos. De andere korpschefs van de grote steden lagen geregeld met elkaar in de clinch, maar Brand had zelden problemen. Alleen in 1993 bij een demonstratie van studenten in Den Haag raakte zijn korps in opspraak. De politie greep toen hard in; tientallen studenten raakten gewond door de charges van de Mobiele Eenheid en de politie arresteerde 52 studenten. Brand bood later publiekelijk zijn excuses aan. In zijn afscheidstoespraak kwam Brand vorig jaar nog op deze kwestie terug. De politie was met te veel machtsvertoon opgetreden, zo erkende hij.

Bij dezelfde gelegenheid wees hij er nog eens op voorstander te zijn van het doorlaten van drugs als middel om de georganiseerde criminaliteit aan te pakken. Door deze opsporingsmethode kwamen politie en justitie in 1994 in opspraak bij de IRT-affaire. “De politiek was het niet met ons eens, maar ik ben er nog steeds heilig van overtuigd”, aldus Brand.