Intellectuelen zijn lang niet altijd wijs en humaan

Enkele maanden geleden vond in Warschau een discussie plaats over literatuur en grenzen. Iemand merkte op dat het aan politici is om de grenzen te trekken, en aan intellectuelen om ze open te houden, van geest en hart, om te verhinderen dat zij mensen van elkaar scheiden en zo verworden tot een obsessieve en bloeddorstige afgod.

De Poolse schrijver Eugeniusz Kabatc bracht daar pijnlijk tegen in dat in de wrede oorlog in voormalig Joegoslavië het juist schrijvers en intellectuelen waren die aanzetten tot de krankzinnigste haat en geestelijke verwijdering. Zij propageerden meer chauvinistisch geweld dan de voor de tragedie verantwoordelijke politici.

Natuurlijk waren er toen ook lichtende voorbeelden van moed, menselijkheid en vredelievendheid bij culturdragers en schrijvers. Maar het feit dat anderen - vakgenoten in andere landen en in andere wrede situaties - meegesleept werden door fanatisme en massamoorden, zou een waarschuwing moeten zijn voor het naïeve geloof dat beoefenaars van activiteiten als literatuur, filosofie of kunst bij voorbaat beschaafde en verlichte mensen zijn.

In onze verbeelding wordt de intellectueel, ook als hij zich met politiek bezighoudt, als tegenstander van de politicus gezien die naar waarden, waarheid en vrijheid streeft en een moraal zonder compromissen. En vaak klopt dat ook. Dat hebben de vele voorbeelden van onverschrokken dissidentie en weerstand tegen totalitaire tirannieën en ook tegen corruptie en leugens laten zien. Er bestaat ook altijd behoefte aan mensen met een heldere geest en een doorzettingsvermogen om tegen de “ongeschreven wetten van de goden” van Antigone te ageren, de geboden van de absolute moraal, en tegen de logica van de macht en de heersers. Maar het is nogal discutabel om de kwalificatie intellectueel gelijk te stellen aan het bezitten van bepaalde vermogens, alsof een socioloog of letterkundige op voorhand - nog voordat er sprake is van enige prestatie - intellectueler zou zijn dan een kenner van het handelsrecht of een tandarts.

Afgezien van de gewoonte om psycho-analytici automatisch boven orthopedisten of verzekeraars te stellen, zijn er geen academische titels of culturele niveaus die automatisch dat kritische en zelfkritische bewustzijn verschaffen, dat vermogen om je innerlijke directheid te overwinnen, waarin het kenmerk van de intellectueel schuilt. Een geletterde die geheel wordt geabsorbeerd door de gewoontes van de culturele clan waartoe hij behoort is zeker niet minder vervreemd dan een lopendebandarbeider en het doet er in dat geval niets toe dat de één boeken of symposia produceert en de ander klinknagels. Het is geen toeval dat op de treurige momenten van politieke crises of collectieve verblinding, het niet altijd de meer beschaafde klasse - of wie zich daarvoor uitgaf - was, die het meeste weerstand bood.

Zelfs grote intellectuelen en schrijvers hebben niet altijd gepleit voor een onafhankelijk oordeel en meer menselijkheid. Milovan Djilas is een groot intellectueel, wiens grote verdienste is dat hij de dubbelzinnigheden van de nieuwe klasse titoïsten ontmaskerde terwijl hij zelf had bijgedragen aan hun macht, en dat hij moedig de consequenties droeg van deze ontmaskering. Maar Djilas was al een intellectueel toen hij, op het hoogtepunt van de revolutionaire strijd, schreef dat zonder Stalin zelfs de zon niet zou schijnen zoals hij scheen, een retorische en fanate dwaasheid die Tito - in dit geval intellectueler dan Djilas - nooit heeft gedebiteerd en ook nooit zou debiteren. En toen Djilas, in de tijd van zijn macht, om het hoofd van Krle vroeg, de grote linkse maar van ketterij verdachte Kroatische schrijver, toen beschermde Tito - die niet afkerig was van geweld wanneer het hem uitkwam, en die wat dat betreft schuldig is, al werd hij niet door ideologische waanzin geveld - de schrijver. Daarmee liet hij zien in zijn pragmatisme menselijker te zijn dan Djilas.

In een van zijn betere boeken, Het leven is elders, beschrijft Milan Kundera de ontaarde verhouding die kan ontstaan tussen opwindende totalitaire lyriek en politiek totalitarisme. Maar de acceptatie van geografische grenzen, die vaak haaks staat op de hang naar algehele vrijheid en kan worden verworpen uit naam van een radicale zuiverheid, kan soms ook wijzen op verantwoordelijkheidsgevoel, als offer om erger te voorkomen.

Natuurlijk is het voor iedereen, of hij nu een uitgesproken intellectueel beroep heeft of niet, gepast om zonder pardon het pragmatisme van politici te verwerpen dat zo vaak op vulgair cynisme uitloopt, op verwerpelijke corruptie, lafhartig opportunisme, belachelijk conformisme en soms ook wrede misdaad. En als het moment daar is moet ook weerstand worden geboden aan de verleiding van de macht en de pathetische poging van politici om zich te vereenzelvigen met de loop van de geschiedenis. Maar deze verwerping is pas terecht, als het vasthoudend en barmhartig gebeurt, in de wetenschap dat iedereen, als hij niet oppast, in het mechanisme van kwaad en dwaling kan worden gevangen.

Enkele zeer grote schrijvers uit deze eeuw hebben de meest wrede tirannieën bejubeld, van het nazisme tot het stalinisme; toch houden we nog steeds van Céline of Hamsum, ook om van hen te leren het lijden te begrijpen. We hebben begrip voor de dwaling die hun wereldbeeld veranderde. Maar we mogen hen, in hun ongelukkige keuze voor het nazisme, niet opener en verlichter vinden dan de miljoenen mensen zonder beroemde naam of dichterlijke gaven, die in die dagen veel intelligenter en menselijker waren.

De geest waart rond waar hij wil en niemand, ook niet als hij net een meesterwerk geschreven heeft, weet zeker dat op zo'n moment de geest hem niet verlaten heeft, hem blind en doof achterlatend ten overstaan van het leven en de geschiedenis.