Indonesië

DE INDONESISCHE televisie voerde vorige week een oudgediende ten tonele: professor Emil Salim (67), econoom en van 1971 tot 1993 vijfmaal minister en een van de ontwerpers van Jakarta's macro-economische beleid. Hij was in 1966, toen een driemanschap onder leiding van generaal Soeharto de regeermacht overnam van president Soekarno, één van de jonge academici die van het leger opdracht kregen een marsroute uit te zetten voor stabilisering van de ontregelde Indonesische economie.

In de nadagen van de era-Soekarno beliep de inflatie 500 procent, de deviezenvoorraad was uitgeput, er waren nagenoeg geen besparingen en het begrotingstekort bedroeg 300 procent.

Salim en zijn vrienden bedwongen de inflatie en brachten zowel de begroting als de betalingsbalans in evenwicht. Dit bondgenootschap tussen generaals en jonge economen lag ten grondslag aan wat in die jaren de Nieuwe Orde ging heten, een bestel waarin wat er nog restte van Indonesiës politieke pluriformiteit werd geofferd aan 'nationale stabiliteit' en economische groei. Dezelfde inmiddels vergrijsde Salim velde vorige week voor de tv-camera's een vernietigend oordeel over de Indonesische volkshuishouding. Hij vergeleek die met de toestand van 1965 en zei dat de tijd nu, net als toen, rijp is voor een 'nieuwe orde'.

ENKELE DAGEN later zou Megawati Soekarnoputri, dochter van de in 1966 onttroonde Soekarno, zichzelf beschikbaar stellen voor de opvolging van president Soeharto, “als dit de eenstemmige wens is van het volk”. Deze samenloop van gebeurtenissen suggereert het sluiten van een historische cirkel, maar zo eenvoudig is het niet. Megawati mag dan kunnen bogen op een grote populariteit, politiek staat ze buitenspel. Met alle respect voor de politieke moed van Mbak Mega, in de afgelopen dertig jaar heeft menige zonderling zich vanaf de zijlijn kandidaat gesteld voor het presidentschap, zonder dat het duizendkoppige Volkscongres, dat de president aanwijst, zich daar iets van aantrok. En nergens staat geschreven dat Soeharto moet worden opgevolgd door een nazaat van zijn voorganger.

Een veel sterkere aanwijzing dan Mega's kandidatuur dat Indonesië ten prooi is aan een waarachtige crisis is Salims veroordeeling van het rentmeesterschap over wat hij en de zijnen het land hebben nagelaten: een stabiele en gestaag groeiende economie. Die erfenis is door Soeharto verkaveld onder zijn familie, vrienden en Chinese zakenrelaties, vergaand gemonopoliseerd en lijkt niet bestand tegen de oprukkende mondialisering. De omvangrijke staatssector van de economie - uitvloeisel van de nationalisaties van Nederlandse ondernemingen in 1957 - is gebruikt als een cliëntelistische ruif ter financiering van politieke hondentrouw.

TOEN DE BUITENLANDSE hulp in de jaren zeventig het land binnenstroomde, werd een groot deel van de hulpgelden naar het bedrijfsleven gesluisd via persoonlijke connecties tussen functionarissen van staatsbanken en Chinese of aan de president verwante ondernemers. Daarbij gaf maar zelden de kredietwaardigheid van de betrokkene de doorslag. Een fors aandeel voor de welwillende bureaucraat in het te financieren project of een connectie met 'het paleis' bleken dikwijls voldoende. Chinese conglomeraten, rijk geworden met behulp van aldus verkregen staatsleningen, richtten eigen banken op ter financiering van nieuwe, ambitieuze projecten van de eigen groep. Zo werd een groot deel van het Indonesische 'wonder' betaald met niet invorderbare leningen. De rekening voor dit wanbeheer ligt nu bij het IMF.

De Indonesische economie is gegroeid, maar heeft geen onafhankelijke middenklasse voortgebracht. Een beginnende ondernemer heeft niet alleen kapitaal nodig, maar ook de juiste papieren. Connecties op het betrokken departement doen wonderen, maar hebben hun prijs in de vorm van kick-backs voor de behulpzame staatsdienaar. Dit patroon heet in hedendaags Indonesisch kolusi - vrij vertaald 'handjeklap' - een vorm van symbiose tussen de publieke en de particuliere sector. Salim zei het in een vraaggesprek ooit zo: “Veel zakenlui hier slagen alleen dankzij deze symbiose met de bureaucratie. Hoe dichter je er tegen aanschurkt, hoe beter het je gaat. Maar er komt altijd een moment waarop de politiek de rekening presenteert en vraagt om financiering van campagnes ter consolidering van de macht.”

OP HET EERSTE gezicht is de structuur van de Indonesische samenleving in vijftig jaar onafhankelijkheid niet wezenlijk veranderd. Aan de onderkant zien we een brede massa van boeren, kleine ambachtslieden en industrie-arbeiders, die politiek geen vuist kunnen maken. Aan de bovenkant een kleine groep bureaucraten, ondernemers en militairen die de macht onderling verdelen. Daartussen heeft zich weliswaar een nieuwe laag ontwikkeld, maar geen middenklasse die een politieke rol zou kunnen spelen. De nieuwe laag van ondernemers, intellectuelen, ambtenaren en beoefenaars van vrije beroepen komt niet op voor liberalisering, maar voor een sterke staat, die economische groei garandeert. Nu vadertje staat het spoor bijster lijkt en zichzelf heeft verstrikt in een onbetaalbaar web van vriendendiensten, reageert de 'middenklasse' niet met een roep om democratisering, maar met een stormloop op de schappen van de supermarkten. De hamsterwoede van vorige week kwam niet uit de kampong. Daar koopt men op de markt en weet men niet wat de jongste koers is van de roepia tegenover de dollar.

ALS HET AAN de kampong lag, werd Megawati in maart president. Maar zo liggen de kaarten niet. Dat Soeharto's kandidatuur niet langer kan rekenen op een consensus binnen de instellingen van de Nieuwe Orde, betekent nog niet dat hij het veld zal ruimen. Zolang Golkar, de bureaucratie in een partij-jasje, en de strijdkrachten - samen heben zij een meerderheid in het Volkscongres - hem steunen, is hij verzekerd van een zevende termijn. De man is niet van marsepein; hij heeft in het verleden wel vaker laten zien dat crises hem stijven in zijn overtuiging dat hij de redder des vaderlands is. Bovendien is hij een liefhebbende vader. Nu terugtreden zou beteken dat hij de zakelijke imperia van zijn kinderen en kleinkinderen uitlevert aan anderen, die gemakkelijker zullen toegeven aan eisen van het IMF om de protectionistische familiebolwerken af te breken.

HET LIGT VOOR de hand dat Soeharto nogmaals opgaat voor het hoogste ambt en zelf een opvolger aanwijst in de persoon van een vice-president van eigen keuze. Beklemmend is dat er, gezien het ontbreken van een middenklasse, geen werkelijk alternatief is.