Frankrijks eeuw van zelfverwijt

De affaire-Dreyfus verdeelde Frankrijk in twee vijandige kampen die met een zeldzame felheid tegenover elkaar stonden, aldus president Chirac. Dank zij Emile Zola ging precies een eeuw geleden “de waarheid op weg”.

PARIJS, 13 JAN. J'accuse, ik beschuldig, schreef Emile Zola vandaag een eeuw geleden aan de Franse president Félix Faure. De zaak-Dreyfus, die al drie jaar liep, werd de affaire-Dreyfus die nooit voorbijging: een bewijs van inherent antisemitisme tot in de top van de Franse staat voor de één, een triomf van moreel besef en intellect voor de ander. Vorige week heeft president Chirac de familie van de Frans-joodse legerkapitein Dreyfus geantwoord, met een verwijzing naar Vichy en de Duitse bezetting. Een eeuw van zelfverwijt loopt ten einde.

Zijn vlammend pleidooi bezorgde Zola een gevangenisstraf en dwong hem tot ballingschap in Engeland. Dreyfus (die valselijk was beschuldigd van spionage voor de Duitsers) kreeg in 1899 gratie, maar werd pas in 1906 in ere hersteld. Zola was toen al vier jaar dood. Bevlogen zielen zoals hij - sinds die tijd intellectuelen genoemd - zouden Frankrijk vaker redden uit de ergste stormen van antisemitisme. En het land herinneren aan zijn morele verantwoordelijkheden, van de Spaanse burgeroorlog tot de Sovjet-invasie van Hongarije in 1956, de Algerijnse bevrijdingsoorlog tot abortus, vrij cannabis roken, van de hervorming van het sociale stelsel ('95) tot het vreemdelingenbeleid ('97).

Jacques Chirac bedankte de families van kapitein Dreyfus en Emile Zola voor “alles wat zij hebben gegeven voor vrijheid, waardigheid en gerechtigheid”. Alsof het nog pas gisteren was, schreef hij: “Net een eeuw geleden ging Frankrijk door een diepe crisis. De Affaire-Dreyfus trok als een ploeg diepe voren door de Franse maatschappij, verscheurde gezinnen, verdeelde het land in twee vijandige kampen die met een zeldzame felheid tegenover elkaar stonden.”

De processen tegen Dreyfus waren 'trieste maskerades', aldus Chirac, “omdat Dreyfus kost wat het kost schuldig moest blijven”. Ondanks de vasthoudendheid van de familie dreigde de zaak te verzanden. “Het zou een zwarte vlek zijn geweest, ons land en onze geschiedenis onwaardig, een kolossale gerechtelijke fout en een beschamende blunder van de staat, ware het niet dat één man was opgestaan tegen de leugen. (...) Toen ging de waarheid op weg.”

Het volk dat 'Dood aan de joden' had geroepen op de dag dat Dreyfus van zijn militaire rang werd ontdaan, was goed genoeg om 'Leve Dreyfus' te roepen toen het tij was gekeerd. 'Nee, leve Frankrijk', luidde het nobele antwoord van de man die vijf jaar krankzinnig zwaar bewaakt gevangen had gezeten op Duivelseiland - voor de kust van Frans Guyana. Anders dan Mandela's Robbeneiland is het tropische verbanningsoord van Frankrijks favoriete zondebok tot op de dag van vandaag niet toegankelijk. De kwestie is misschien nog te vers; het risico van heftige onregelmatigheden op de veerboot is niet denkbeeldig.

In Frankrijk is het verleden meer een deel van het heden dan in Nederland. Stukken over vroeger horen in boekenbijlages en zijn vaak geschreven door hoogleraren omdat het ver en moeilijk is. Alle zichzelf respecterende Franse kranten hebben dezer dagen een bijlage van vier tot acht pagina's uitgebracht. De boekuitgevers draaien weren op volle toeren. Het zijn geen obligate herdrukken, maar boeken met rode konen. Daar kijkt niemand van op in een land waar oud-ministers, die even in de luwte meelopen, fikse studies publiceren over François I (Jack Lang), Henri IV (François Bayrou; 300.000 exemplaren) en de monarchist Lyautey (Hervé de Charette).

En toch, het is ook in Frankrijk een kwestie van klasse en generatie. De caféhouders en taxichauffeurs van Bordeaux, die mooie omzetten draaien dankzij het proces tegen de van oorlogsmisdrijven verdachte ambtenaar Maurice Papon, laat de zaak zelf koud. “De oorlog is voorbij en de man oud.” Er wordt niet meer gevochten om stoelen in de videozaal, waar het proces woord voor woord te volgen is mèt het beeld dat voor het nageslacht integraal op video wordt vastgelegd. Die registratie zal toegankelijk zijn over twintig jaar, maar nu al volgen de schoolklassen uit het hele land elkaar op voor een dagje Papon.

“Een halve eeuw na Vichy [het Franse regime dat tijdens de Tweede Wereldoorlog met de Duitsers samenwerkte, red.] weten wij dat duistere krachten, intolerantie en rechteloosheid zich in de hoogste instanties van de staat kunnen nestelen”, schreef Chirac vorige week aan de Dreyfus- en Zola-families. “Maar wij weten ook dat Frankrijk zich weet te herstellen op momenten van de waarheid. Dan is het land groot, sterk, vereend en waakzaam. (..) Deze twee uitzonderlijke mannen hadden vertrouwen in onze gemeenschappelijke waarden, de waarden van onze natie en onze Republiek. Zij hielden van ganser harte van Frankrijk. Zij hebben ons weten te verzoenen met onszelf.”

Opnieuw raakt Jacques Chirac, die het soms met iedere laatste spreker eens lijkt te zijn, een snaar. Opnieuw is het Frankrijks worsteling met zijn gekwetste geweten, vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog, dat hem inspireert tot presidentiële uitspraken. Hij is minder spraakzaam over het slepende onderzoek naar wat er in en na de oorlog is gebeurd met joodse bezittingen in Parijs. De schilderijen hangen overal, ook in rijksmusea. De geconfisqueerde huizen staan iets te dicht bij het stadhuis van Parijs waar hij twintig jaar zijn sprong omhoog voorbereidde. De Franse 'commissie-Van Kemenade' (voorgezeten door Jean Matteoli) concludeerde gisteren in een tussenrapport dat nog veel geld en studie nodig is om de volle waarheid aan het licht te brengen. Officieel Frankrijk heeft weinig haast.

Chiracs Dreyfus-voorbeeld werd maandag gevolgd door het rooms-katholieke dagblad La Croix, dat gisteren ruiterlijk afstand nam van haar opstelling een eeuw geleden. “Ja, wij hebben geschreven dat Dreyfus de joodse vijand was die Frankrijk bedreigde. En over zijn verdediger Zola: 'Haal de ingewanden uit zijn lijf!'.”

La Croix, de rk-bisschoppen, de politie, iedereen erkent zijn oorlogsfouten, wie volgt? Het berouw-seizoen bevalt niet iedereen. Vooral de politieke erfgenamen van generaal De Gaulle briesen. Bestuurlijk staan zij, afgezien van Jacques Chirac, tijdelijk buiten spel. Zij zien alle as gestrooid op diverse hoofden als loos èn als pogingen het gaullisme (dat de oorlog destijds snel wilde vergeten) politiek in diskrediet te brengen. Frankrijk zou Frankrijk niet zijn als de strijd om het verleden niet hartverscheurend zou zijn.

15 oktober 1894. Kapitein Alfred Dreyfus gearresteerd en beschuldigd van hoogverraad. Een werkster op de Duitse ambassade in Parijs heeft in een prullenbak een stuk papier gevonden over Frankrijks bewapening. Het handschrift zou lijken op dat van Dreyfus. 22 december 1894. Dreyfus veroordeeld tot levenslange deportatie. 5 januari 1895. Dreyfus publiekelijk gedegradeerd op de binnenplaats van de Militaire Academie. maart 1896. Nieuw hoofd van de militaire inlichtingendienst, kolonel Picquart, ontdekt dat 'brief' van Dreyfus in werkelijkheid was geschreven door officier Esterhazy. Picquart licht een vicevoorzitter van de Senaat in. 10 november 1896. Het dagblad Le Matin publiceert een facsimile van Dreyfus' zogenaamde document en echte brieven van hem. De verschillen in handschrift zijn evident.

25 november 1897. Eerste artikel van Emile Zola in Le Figaro. 11 januari 1898. Esterhazy vrijgesproken. 13 januari 1898. J'accuse-brief van Zola gepubliceerd. Zola wordt veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf en 3000 francs boete. 29 oktober 1898. Hof van Cassatie verklaart revisie-verzoek van Dreyfus ontvankelijk. 9 september 1899. Dreyfus opnieuw veroordeeld, maar met verzachtende omstandigheden. 19 september 1899. President Emile Loubet verleent gratie. Dreyfus nog niet onschuldig verklaard. 12 juli 1906 Dreyfus gerehabiliteerd, geëerd met Légion d'honneur. Hij sterft in 1935, na in Eerste Wereldoorlog voor Frankrijk te hebben gevochten.