Een monetaire pin-up

Ze is al ruim twee eeuwen dood, maar als betaalmiddel leeft Maria Theresia voort. De zilveren thaler, met afbeelding van de rondborstige Habsburgse keizerin, fungeerde decennialang als een euro avant la lettre. In de Irak-oorlog bewees de munt nog zijn nut. Les thalers d'argent. Histoire d'une monnaie commune. Door Philippe Flandrin. Uitg. Editions du Felin, Parijs. ISBN 2-96645-279-8.

Op markten van Jeddah, Djibouti, Aden en andere handelsplaatsen in

de Hoorn van Afrika zijn ze nog altijd in gebruik, grote zilveren munten die aan een kant een dame met een genereuze boezem tonen. De beeldenaar

is omringd door de volgende inscriptie M. THERESIA. D.G. IMP. HU. BO. REG. en dat staat voor Maria Theresia, door Gods genade, Rooms keizerin, koningin van Hongarije en Bohemen. Op de keerzijde staan rond de dubbele adelaar met de keizerskroon nog meer afkortingen, ARCHID. AUST. DUX. BURG. Co. TYR, de andere titels van Maria Theresia: aartshertogin van Oostenrijk, hertogin van Bourgogne en gravin van Tirol. Deze opsomming wordt meestal besloten met het jaartal 1780, het laatste

levensjaar van Maria Theresia. Maar de betekenis daarvan is relatief, want de Maria Theresia thaler (MTT) is sindsdien, ruim twee eeuwen lang

en tot op de dag van vandaag, steeds met ditzelfde jaartal geslagen. Als een soort euro avant la lettre deed de munt al die tijd dienst in grote

delen van Europa, het Midden-Oosten en de Hoorn van Afrika. In 1740 werd Maria Theresia, 23 jaar oud, dochter van de overleden keizer Karel VI, bij gebrek aan mannelijke opvolgers keizerin van het Habsburgse rijk. In datzelfde jaar kwam in Oostenrijk zoals gebruikelijk een munt in omloop waarop de keizerin met al haar jeugdige charme was afgebeeld. Op initiatief van haar echtgenoot, keizer Franz I, werd tien

jaar later een nieuwe naar haar vernoemde thaler ingevoerd, een munt met een doorsnede van bijna 4 centimeter en met 23,389 gram zilver op een totaal gewicht van 28,06 gram). Met deze 'zware' munt hoopte Franz een eind te maken aan hevige speculaties, in Oostenrijk en elders in Europa, met de vele in omloop zijnde gouden en zilveren munten. De nieuwe munt toonde de populaire Maria Theresia als rondborstige Landesmutter, haar bijnaam bij de Oostenrijkse bevolking. De nieuwe thaler bleek meteen een succes: Beieren en de andere staten die tot het Heilige Roomse rijk behoorden, namen de MTT aan als gemeenschappelijke munt. Om de waarde van de Maria Theresia thaler stabiel te houden werd export

van de munt verboden, maar de controle daarop, aan de lange grenzen tussen Oostenrijk en het imperium van de Ottomaanse sultans, bleek niet

effectief en bovendien kostbaar. Oostenrijkse kooplieden die zaken deden met handelaars op de Balkan betaalden met de thalers, die van meet af aan populair waren op de markten van Sarajevo, Mostar, Skopje en Saloniki. In Constantinopel (Istanbul) waar de sultan zetelde, was de Maria Theresia thaler een jaar na invoering al 7,5 procent meer waard dan in Oostenrijk. Dat werkte smokkel van de begeerde munten in de hand. Een jeugdige Weense bankier, Johan Fries, hield de KuK (Kaiserliche und

Königliche) regering voor dat de thalers maar beter officieel en rechtstreeks naar de centra van geldhandel in het Ottomaanse rijk konden worden verkocht. Behalve inkomsten voor de Oostenrijkse staatskas zou deze muntexport ook bezuinigingen opleveren omdat de grenscontroles konden worden afgeschaft. De regering in Wenen nam het idee van Fries over, inclusief de commissie van 5 procent van de waarde per uitgevoerde munt voor de Oostenrijkse staat. De bankier kreeg het monopolie voor de

export. En daarmee begon de ongelooflijke opmars van 'De zilveren thalers, onze gemeenschappelijke munt', de titel van het recent verschenen boek van de Franse auteur Philippe Flandrin. In 1752, een jaar na invoering van de nieuwe zware MTT, sloeg Oostenrijk al ruim een miljoen thalers, waarvan de helft voor export was bestemd. De nieuwe munt verdrong snel Europese concurrenten, in grote delen van Europa inclusief Scandinavië, maar vooral ook in het rijk van Ottomaanse sultans dat zich uitstrekte van Bosnië tot de Arabische

woestijn. In de volgende dertig jaar leverde bankier Fries op bestelling 24 miljoen thalers, wat hem een fortuin opleverde. Vanaf 1783 werd de Maria Theresia thaler in Wenen uitsluitend nog voor de export geproduceerd, al zou het nog ruim een eeuw, tot 1892, duren voordat de MTT volledig uit het binnenlandse geldverkeer in Oostenrijk was verdwenen. In de twee eeuwen die volgden ging de Weense productie van deze munten als handelswaar onafgebroken voort. De munt van de vrome keizerin uit Wenen was vooral populair bij de handelaars in de verre uithoeken van het Ottomaanse rijk, zoals het Arabisch schiereiland. Dat veranderde niet nadat het al deerlijk geslonken imperium van de sultan in Constantinopel na de Eerste Wereldoorlog definitief uiteen was gevallen. In totaal zijn tussen 1780 en 1935 meer dan 300 miljoen munten uit Oostenrijk afgeleverd en over grote delen van de wereld verspreid, tot op Java toe. In het Midden-Oosten en de Hoorn van Afrika (Ethiopië) bleef de zilveren thaler van de christelijke keizerin tot ruim na de Tweede Wereldoorlog het belangrijkste betaalmiddel voor de lokale handel en de

geldwisselaars in de souks van Jeddah en Djibouti. In 1977 bereikte de MTT-productie een absoluut hoogtepunt met ruim tien miljoen munten. Dat

had een speciale reden. Als gevolg van de beruchte en uiteindelijk mislukte zilverspeculatie van de twee Texaanse miljardair-broers Bunker

Hunt was de prijs van zilver sterk gestegen en daardoor was de vraag naar MTT's in de souks rond de Rode Zee eveneens sterk toegenomen. De afgelopen jaren verminderde de productie van MTT's in Wenen tot tussen de 100.000 en 200.000 munten per jaar. Bij zo'n lang succesverhaal horen talrijke anekdotes, waarvan de aardigste dateert uit de jaren dat Maria Theresia nog leefde. De eerste

thalers uit 1741 waarop de toen nog jeugdige keizerin is afgebeeld, tonen haar, naar beste Weense tradities, met een diep décolleté. Ook als Landesmutter (1751) toonde zij haar vrouwelijke vormen. Na het overlijden van haar echtgenoot in 1765 achtte de keizerin het gepast dat zij ook op de thalers rouw zou betonen. De nieuwe munten, met de in rouwmantel en voile gehulde keizerin, bleken niet populair bij de geldhandelaars in de Levant en de export nam snel af. Met een beroep op beider financieel belang haalde bankier Fries de keizerin over in te stemmen met een nieuwe beeldenaar (1776), die Maria

Theresia andermaal toont met de charmes die in Constantinopel en elders

zo werden gewaardeerd. De export van de munten, die als randschrift Maria Theresia's motto 'gerechtigheid en mildheid' dragen, kwam weer snel op gang. De betekenis van de Maria Theresia thaler als 'gemeenschappelijke munt'

bereikte een verrassend hoogtepunt in de jaren dertig. In 1934 werd de Oostenrijkse kanselier Dolfuss vermoord. Hitler dreigde in Oostenrijk in te grijpen, maar zijn latere bondgenoot Mussolini verhinderde dat door snel troepen samen te brengen nabij de Brennerpas. De Wehrmacht bleef nog even thuis. Het jaar daarop eiste Mussolini zijn prijs: hij wilde de Maria Theresia thaler voor Italië. Kanselier Kurt von Schnuschnigg, die Dolfuss was opgevolgd, kon niet weigeren. Op 17 juli 1935 werd in Wenen een akkoord getekend dat bepaalde dat Oostenrijk zijn monopolie om MTT's te slaan voor 25 jaar afstond aan Italië. De Weense munt zou

zelf niet meer dan 10.000 thalers per jaar mogen produceren en verkopen. Mussolini had de thaler van Maria Theresia nodig om zijn heerschappij in de Hoorn van Afrika te vestigen. Libië, een deel van Somalië en Eritrea waren al Italiaanse kolonies en in datzelfde jaar 1935 veroverden de troepen van de fascistische dictator ook Ethiopië, het rijk van keizer Haile Selassie. In deze landen en omringende gebieden, merendeels Franse en Engelse kolonies, was de Maria Theresia thaler al vele decennia het betaalmiddel voor de lokale handel. Het vooruitzicht dat Rome de centrale bank voor het noorden en noordoosten van Afrika en een flink deel van het Midden-Oosten zou worden, was een bedreiging voor Londen en Parijs. In 1936 besloten de regeringen in beide hoofdsteden, spoedig gevolgd door die van België, zelf ook Maria Theresia thalers te gaan slaan, uiteraard met als jaartal 1780. Strikt gesproken was er sprake van valsemunterij,

maar in de monetaire concurrentie met Italië die spoedig gevolgd zou worden door echte oorlog, was er geen andere keus. De Britse regering gaf de Royal Mint toestemming, met als argument dat het niet om namaak ging, “maar om het plaatsen, op een stuk metaal, van de afbeelding van een in 1780 overleden vorstin die het hoofd was van een in 1918 verdwenen staat”. Volgens de Franse auteur Flandrin pompte Italië in slechts een paar jaar 18 miljoen thalers in Ethiopië en Libië. Londen distribueerde op zijn beurt vijftien miljoen munten met de beeldenaar van de al lang overleden vorstin in zijn kolonies, Brussel leverde tien miljoen stuks voor gebruik in zijn kolonie Kongo en de Fransen voorzagen in de behoefte aan muntgeld in Tsjaad en de Sahara met ruim vier miljoen MTT's die in Parijs waren geslagen. Ook de Munt in Utrecht sloeg in 1938 Maria Theresia thalers, in totaal 116.000 stuks, in opdracht van de Hollandse Bank Unie, die via haar kantoor in Haifa (toen Palestina, nu Israel) wilde deelnemen aan de lucratieve munthandel. Het uitbreken van de oorlog in 1939 gooide echter roet in het eten. Na de Tweede Wereldoorlog ging de MTT-productie in Londen, Parijs en Brussel op beperkte schaal nog voort tot 1960. In dat jaar kwam er een eind aan het verdrag van 1935 tussen Rome en Wenen en kreeg Oostenrijk het monopolie op de productie van de keizerlijke munt terug. De Maria Theresia thaler is behalve een mooie munt uit een grijs verleden ook en vooral een stukje zilver, en dat kan in moeilijke tijden van pas komen. Het laatste succes behaalde de MTT tijdens de Golfoorlog. Saddam Hussein had in de zomer van 1991 Koeweit geannexeerd. Tot woede van koning Fahd van Saoedi-Arabië kreeg de Iraakse dictator steun van het kleine Jemen. Voor straf werden de 800.000 Jemenieten die in Saoedi-Arabië werkzaam waren, naar hun land teruggestuurd. Voor het arme Jemen was dat een ramp: het miste de inkomsten - in Saoedische rials en Amerikaanse dollars - die de Jemenitische gastarbeiders naar hun families thuis overmaakten. Enorme prijsverhogingen en devaluatie van de Jeminitische rial waren het gevolg en weldra kon het land zijn importen niet meer betalen. De Jemenieten haalden dus de thalers van Maria Theresia, vaak beschadigd of zwart geoxydeerd, uit hun oude kousen. Bij geldhandelaren op de Souk el-Tahl bij de Sada konden ze de munten inwisselen tegen dollars en Saoedische rials. Per vrachtauto werden de thalers, bij duizenden tegelijk, 's nachts naar Jeddah vervoerd, de Saoedische havenstad aan de Rode Zee, waar de banken en geldwisselaars uiteraard goede zaken deden. Voor dit artikel zijn gegevens gebruikt ontleend aan het artikel 'Een Maria-Theresia taler uit Utrecht' in het Jaarboek voor munt- en penningkunde 1991.