Een gratis knipbeurt voor Acteal

In de Mexicaanse deelstaat Chiapas werd gisteren bij een betoging een vrouw doodgeschoten. De spanning stijgt in Chiapas - en in de rest van Mexico.

ACTEAL, 13 JAN. Het houten kerkje met de kogelgaten is een soort pelgrimsoord geworden. Internationale waarnemers, kerkmensen en journalisten zwermen uit over het dorp waar drie weken geleden 45 biddende indianen door paramilitairen werden neergemaaid. Op de open plek achter het kerkje branden kaarsen op de lemen aarde. Een kruis met de woorden 'tijd om te zaaien'. Maar voor de indianen van Acteal valt er voorlopig weinig te zaaien. Ze zitten opgesloten in hun hutten, omsingeld door het leger.

Zojuist kwam de gouverneur in Acteal langs. “Hij zei dat hij de nieuwe gouverneur is. Dat zal wel. We hebben hier nog nooit de oude gouverneur gezien”, zegt dorpshoofd Lorenzo Pérez. Twintig minuten heeft het dorpshoofd met de pas benoemde Albores Guillén gesproken. De gouverneur beloofde dat hij een oplossing zou zoeken. Pérez zei dat zijn mensen niets aan beloften hebben. “We willen dat de daders van de slachting worden gepakt en berecht, en dat het leger uit onze gemeenschap verdwijnt.”

'Genotvolle natuur met kleurrijke indianen', zo schrijven de reisgidsen over de zuidelijke deelstaat Chiapas. Het doet eerder aan Bosnië denken. De bergweg naar Acteal is verlaten, op wat legerkonvooien en gepantserde jeeps na. Geen Tzotzil-vrouwen met felle omslagdoeken vol spullen om op de markt te verkopen. Zelfs hun eeuwig dronken mannen waggelen niet meer door de berm. Na twintig minuten komt het eerste roadblock. Soldaten controleren papieren en doorzoeken de auto. Drie wegversperringen verder ligt Acteal.

Hier wordt de bezoeker verwelkomd door een groot spandoek en nog meer militairen. 'Labor social' - sociaal werk - staat er op het doek. “Dat betekent dat het leger voedsel uitdeelt en haren knipt”, licht een majoor toe. Met zijn eenheid heeft hij de dorpsschool betrokken. Haren knippen? “Gratis elk kapsel dat de mensen willen”, zegt de militair trots. “Veel indianen hebben luizen.”

Pas de laatste paar dagen gaan de mensen weer terug naar Acteal. Na de slachting van 22 december vluchtte de hele bevolking naar het nabijgelegen Polho. Niet dankzij, maar ondanks de militairen keren ze nu langzaam terug. In de kern van het dorp is een vredeskamp ingericht met waarnemers van mensenrechtenorganisaties. “We hopen dat hun aanwezigheid ons wat bescherming biedt”, zegt dorpshoofd Peréz. “Ze willen alleen maar informatie, vallen onze vrouwen lastig, maken onze kinderen bang en roven ons vee.” Ondanks het grote voedseltekort weigert de bevolking maïs van het leger te accepteren, laat staan een knipbeurt. “Hoe kunnen we vergeten dat de wapens die onze mensen hebben vermoord afkomstig zijn van het leger”, zegt Pérez.

Pagina 4: 'Zij eten onze kippen en wij zitten gevangen'

Tien maanden na de eerste opstand van de Zapatisten op 1 januari 1994, zo blijkt nu, heeft het leger een geheim plan uitgewerkt voor de 'training en bewapening van paramilitaire groepen in Chiapas'. “De eerste januari was de pijnlijke val van een tand uit het gebit van Mexico”, schrijft generaal José Rivas Peña over de plotselinge verschijning van de Zapatistische guerrilla onder leiding van 'ondercommandant Marcos'. “We moeten de steun van de bevolking aan de wetsovertreders breken.”

Vorige week wist het onafhankelijke weekblad Proceso beslag te leggen op dit geheime document. Niet alleen blijken de paramilitairen in Chiapas door het leger getraind en bewapend te zijn. Het is het leger zelf geweest dat, met behulp van de regerende Institutionele Revolutionaire Partij (PRI), paramilitaire groepen oprichtte. “De inlichtingendiensten organiseren in het geheim bepaalde delen van de bevolking, waaronder veeboeren, grootgrondbezitters en individuen met een hoog patriottisch gehalte”, staat er letterlijk. Deze groepen worden dan “gebruikt als steun voor onze strategie van verdeling”.

De regering heeft in Chiapas nooit vrede gewild, dat is de enige conclusie die uit dit document valt te trekken. Een paar weken na de indianenopstand begin 1994, tekende de regering een wapenstilstand. Na twee jaar onderhandelen volgde een akkoord. De indianen zouden rechten krijgen en het legertje van Marcos een politieke status. Maar de regering vond steeds nieuwe smoezen om het akkoord niet uit te voeren. Intussen werd Chiapas volgepompt met militairen. De Zapatisten van Marcos werden in het oerwoud teruggedrongen. En in de indianengemeenschappen stapelden de kleine slachtpartijen zich op, die werden afgedaan als 'etnische' of 'religieuze' conflicten.

Meer dan zesduizend mensen drommen samen in het dorpje Polho. Net als de slachtoffers van het bloedbad in Acteal zijn deze indianen vluchtelingen. Met geweld werden ze uit hun dorpen verdreven door paramilitairen. Luciano (35) vertelt over de jongens uit zijn dorp die liepen te pochen over het geld en training die ze van de PRI en het leger in de bergen kregen. Steeds meer praats kregen ze. Dat je lid moest worden van de PRI, dat op een dag de wraak zou komen. Vervolgens gingen ze gewapend door het dorp patrouilleren en dreigen. Twee maanden geleden sloeg de bevolking op de vlucht. “Nu eten zij onze kippen op en drinken onze koffie, terwijl wij gevangen zitten in deze vallei.”

Luciano wijst in een kring omhoog. Daar, daar, en daar op de bergen. Overal heeft het leger bases. Kijk, bij die school landt een politiehelikopter. “Vol sociaal werk voor de paramilitairen”, lacht hij. Even later rijdt een legerkonvooi voorbij. Open vrachtwagens vol militairen en politie begeleiden een wagen met voedselhulp. Daartussen schommelt een truck met gewapende mannen in burger. 'Paramilitairen', weet Luciano. “De moordenaars van Acteal nog steeds gezellig bij het leger op schoot.” Zolang de handen van het leger, politie, en paramilitairen op dezelfde PRI-buik liggen, kan er van een vredesproces in Chiapas geen sprake zijn, zegt de parlementariër Jorge León Díaz. “In Chiapas is een echte oorlog aan de gang.” In zijn rode windjack slentert hij tussen de groepen vluchtelingen. León Díaz is lid van de oppositie en roulerend voorzitter van de parlementaire commissie voor vrede in Chiapas. De dag voor het bloedbad was hij in Acteal om voedselhulp te brengen. Hij vertelt hoe iedereen een bloedbad voelde aankomen. Samen met twee collega-parlamentariërs belde hij de gouverneur en de procureur om bijstand te vragen. “Ze weigerden aan de lijn te komen.”

De slachting de volgende dag duurde van elf uur 's morgens tot drie uur 's middags. Op 2,5 kilometer, 5 minuten rijden, lag de eerste legerpost, heeft León Díaz berekend. De militairen moeten het geknal hebben gehoord. Toch was de eerste die op de plek des onheils arriveerde een dokter van het Rode Kruis. Na acht uur gewacht te hebben op toestemming van het leger om door te mogen. Dokter José Luís Najera (28) constateerde dat er weinig meer te redden viel. “Ze waren allemaal dood. Vrouwen. Kinderen. Zomaar op een grote hoop.” Zwaar slikkend staat hij naast de parlamentariër. Afgehakte armen en benen heeft hij gezien. Mensen waarvan de keel was doorgesneden.

Het grote probleem van Chiapas is dat er nooit een overheid is geweest, meent León Díaz. Eeuwenlang is het bestuur overgelaten aan de plaatselijke oligarchie van landheren. Toen de indiaanse bevolking vier jaar geleden in opstand kwam, besloot de staat alsnog haar autoriteit te vestigen. “De bevolking wordt als de vijand gezien en naar believen gebruikt en uitgespeeld. De regering heeft een veelkoppig monster gecreëerd dat niet meer in bedwang is te houden.”

Die avond zendt de televisie beelden uit van de indianenmars bij het plaatsje Ocosingo. Er worden stenen gegooid naar een truck van de oproerpolitie. De agenten verschansen zich achter hun wagen en schieten op de demonstranten. Een vrouw valt neer met haar kind in haar armen. “We zullen een grondig onderzoek instellen”, belooft de nieuwe gouverneur.